De Rechtbank Rotterdam heeft op 26 oktober 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de uitkering uit een verzekering in de nalatenschap viel.
Het verzoek strekt tot het geven van een aanwijzing ter zake van de overlijdensrisicoverzekering afgesloten bij Interpolis door erflater ex artikel 4:210 lid 1 BW.
Aan de verzochte aanwijzing heeft de notaris ten grondslag gelegd dat er een overlijdensrisicoverzekering door erflater is afgesloten bij Interpolis.
A is als begunstigde van deze verzekering aangewezen.
In zijn hoedanigheid van vereffenaar wil de notaris op grond van artikel 4:126 BW in samenhang gelezen met artikel 4:7 BW een zodanig bedrag ten laste van de uitkering ontvangen, waarmee de schulden van de nalatenschap betaald kunnen worden.
Er is namelijk sprake van een negatieve nalatenschap.
Interpolis werkt hieraan alleen mee als de moeder hiertoe toestemming geeft.
Omdat de belanghebbende hiervoor geen toestemming geeft, heeft de notaris om een aanwijzing verzocht.
Aanwijzing aan vereffenaar. Begunstiging. Valt de uitkering uit de verzekering in de nalatenschap? Natuurlijke verbintenis? Overlijdensrisicoverzekering is een quasi-legaat.
De rechter oordeelt als volgt.
De notaris als vereffenaar heeft de kantonrechter verzocht om hem een aanwijzing te geven op grond van artikel 4:210 lid 1 BW.
Dit artikel bepaalt dat vereffenaars verplicht zijn om de aanwijzingen van de kantonrechter bij vereffening op te volgen.
De kantonrechter is van oordeel dat de notaris tijdens de mondelinge behandeling voldoende heeft geconcretiseerd om welke aanwijzing hij heeft verzocht, zodat belanghebbende niet wordt gevolgd in haar stelling dat het verzoek moet worden afgewezen omdat het onduidelijk is welke aanwijzing gevraagd wordt.
De notaris heeft toelicht dat hij de schuldeisers van erflater duidelijkheid wil geven en van de kantonrechter wil weten of de uitkering bij Interpolis mag worden verminderd om de schuldeisers te voldoen.
Hij heeft daarbij toegelicht dat de woning van erflater bij verkoop zeer waarschijnlijk niet voldoende zal opleveren om de hypotheekschuld te voldoen en dat er daarnaast nog andere schulden zijn.
De notaris wil de uitkering van Interpolis verminderen om de schulden te voldoen.
De verzochte aanwijzing ziet dus op de vraag of de boedel aanspraak kan maken op (een deel van) de uitkering van Interpolis.
Gelet op de verzochte aanwijzing zal de vraag moeten worden beantwoord of de aan A toekomende uitkering uit de overlijdensrisicoverzekering bij Interpolis verminderd mag worden door de vereffenaar op grond van artikel 4:127 in samenhang gelezen met artikel 4:126 lid 2 onder b BW.
Op grond van artikel 4:126 lid 1 BW worden schenkingen of andere giften, welke de strekking hebben dat zij pas na het overlijden worden uitgevoerd, voor vermindering en inkorting in beginsel gelijk gesteld met legaten.
Op grond van artikel 4:126 lid 2 onder b BW is dit artikel ook van toepassing op een begunstiging bij sommenverzekering.
Partijen zijn het erover eens dat de overlijdensrisicoverzekering bij Interpolis een sommenverzekering is.
Beoordeeld zal daarom moeten worden of de begunstiging van A onder artikel 4:126 lid 2 onder b BW valt.
Dat is het geval als het aanwijzen van A als begunstigde van de uitkering van Interpolis is aan te merken als een gift.
Op grond van artikel 7:188 lid 1 BW is het uitgangspunt dat dit aanwijzen als een gift is aan te merken, tenzij het aanwijzen geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan uit schenking.
Het ligt op de weg van de belanghebbende om te stellen dat sprake is van een natuurlijke verbintenis, hetgeen zij ook heeft gedaan.
De belanghebbende heeft aan haar stelling dat de uitkering een natuurlijke verbintenis is het volgende ten grondslag gelegd.
De verzekering is afgesloten begin 2013 (toen belanghebbende en erflater nog samenwoonden).
Dat was omdat erflater toen een woning kocht en hij een eventueel financieel risico wilde afdekken voor partner en zoon voor het geval hij zou komen te overlijden.
Dit is een natuurlijke verbintenis, omdat de uitkering bedoeld was om een eventueel risico af te dekken.
De belanghebbende heeft ter onderbouwing tevens gewezen op de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 maart 2016 (RBNNE:2016:881).
De notaris heeft betwist dat sprake is van een natuurlijke verbintenis en hij heeft daaraan het volgende ten grondslag gelegd.
A is in 2011 geboren. Erflater heeft op 24 januari 2013 een overlijdensrisicoverzekering afgesloten op zijn eigen leven. Indien hij zou komen te overlijden voor 1 januari 2043 zou Interpolis een bedrag uitkeren. Uit de polis volgt dat de begunstigde in eerste instantie de verzekeringnemer is, als tweede zijn echtgenote, als derde zijn kinderen en als laatste de erfgenamen van erflater.
A is niet als eerste begunstigde opgenomen.
Het is daarom niet aannemelijk dat erflater de overlijdensrisicoverzekering is aangegaan om aan zijn verzorgingsverplichting te voldoen.
De kantonrechter stelt het volgende voorop.
Bij de beantwoording van de vraag of de begunstiging van A moet worden aangemerkt als voldoening aan een natuurlijke verbintenis moet mede acht worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.
Daarbij is bepalend de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie; niet van belang is hoe partijen er later financieel blijken voor te staan (Hoge Raad, 1 oktober 2004, HR:2004:AO9558).
Of van een natuurlijke verbintenis sprake is geweest zal naar objectieve maatstaven moeten worden vastgesteld (Gerechtshof Amsterdam 27 september 2011, GHAMS:2011:BT8650).
Naar het oordeel van de kantonrechter is onvoldoende door belanghebbende aangetoond dat erflater de verzekering enkel heeft afgesloten om A verzorgd achter te laten (ter nakoming van een natuurlijke verbintenis) en dat geen sprake is van een gift.
De verzekering is namelijk eerst twee jaar na de geboorte van A afgesloten omdat erflater een huis had gekocht. A was daarnaast niet de eerste begunstigde van de verzekering, maar dat was erflater zelf en vervolgens zijn echtgenote en daarna pas A.
Gelet hierop zijn er onvoldoende aanwijzingen om te oordelen dat de verzekering niet enkel uit vrijgevigheid richting A is afgesloten.
De verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 2 maart 2016 leidt niet tot een ander oordeel, omdat daarin sprake was van een andere situatie. Daar ging het om twee partners die beiden een overlijdensrisicoverzekering hadden afgesloten en waarin ook sprake was van eigen belang bij het afsluiten van de verzekering door de erflater. Van die situatie is hier geen sprake.
Dit betekent dat het ervoor wordt gehouden dat de overlijdensrisicoverzekering een gift is.
Nu de overlijdensrisicoverzekering is aan te merken als een gift valt deze onder artikel 4:126 lid 2 BW en is dus sprake van een quasi-legaat.
Het gevolg hiervan is dat de overlijdensrisicoverzekering wat betreft de regels van vermindering en inkorting gelijk wordt gesteld met een legaat.
De overlijdensrisicoverzekering van A komt daarom voor vermindering in aanmerking.
Nu sprake is van een quasi-legaat heeft de notaris zich terecht op het standpunt gesteld dat hij als vereffenaar recht heeft op een bedrag ten laste van deze uitkering om de schulden van de nalatenschap te voldoen.
Op grond van artikel 4:120 BW moet de vereffenaar immers het quasi-legaat verminderen om de schulden van de nalatenschap te betalen.
Op grond van artikel 4:127 BW is belanghebbende verplicht om mee te werken aan de vermindering van de overlijdensrisicoverzekering, tenzij dit onredelijk is.
De belanghebbende heeft op de onredelijkheid een beroep gedaan.
Uit de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juli 2018 (GHARL:2018:6788) volgt dat voor de vraag of is voldaan aan dit onredelijkheidscriterium doorslaggevend is of de begunstiging een verzorgingskarakter heeft.
Het belang van de begunstigde staat daarbij voorop en het gaat voor op de belangen van schuldeisers en legitimarissen.
Van een verzorgingskarakter is niet alleen sprake indien erflater met de begunstiging uitdrukkelijk de verzorging van de begunstigde heeft beoogd, maar ook indien de begunstiging in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijkt voor de betaling van de kosten van studie en levensonderhoud van de begunstigde.
De kantonrechter is niet gebleken van omstandigheden die maken dat de vermindering onredelijk is.
Niet in geschil is dat erflater niet uitdrukkelijk heeft verklaard dat met de begunstiging de verzorging van A was beoogd.
De kantonrechter is voorts niet gebleken dat de uitkering vanuit de overlijdensrisicoverzekering noodzakelijk is voor de betaling van de kosten van studie en levensonderhoud van A.
De belanghebbende heeft niet, althans onvoldoende, gesteld dat zij onvoldoende middelen heeft om in het levensonderhoud van Ate voorzien.
De belanghebbende heeft immers zelf een baan en had volgens de door haar overgelegde belastingaangifte een belastbaar inkomen in 2019 van € 30.692,-.
Daarnaast ontvangt A blijkens de door belanghebbende overgelegde uitkeringsspecificatie van Nationale Nederlanden van juni 2020 ook maandelijks een nabestaandenpensioen ten bedrage van € 662,- bruto per 1 januari 2019 en heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat zij een spaarrekening heeft voor A.
Voorts is het de verwachting dat niet de gehele uitkering van A zal worden verminderd, maar dat er nog een bedrag voor hem overblijft wanneer de schulden voldaan zijn.
Dat bedrag is afhankelijk van de prijs waarvoor de woning van erflater verkocht wordt.
De belanghebbende heeft onvoldoende onderbouwd dat dit samen met haar inkomen en het nabestaandenpensioen van A onvoldoende voor de betaling van de kosten van studie en levensonderhoud van A.
Het is daarom niet onredelijk dat belanghebbende wordt verplicht om aan de vermindering mee te werken.
Gelet op wat hiervoor is overwogen is de kantonrechter van oordeel dat de aan A toekomende uitkering uit de overlijdensrisicoverzekering bij Interpolis door de notaris verminderd mag worden.
De kantonrechter acht het gelet op de voortvarende verdere afwikkeling van de nalatenschap daarom van belang om aan de notaris een aanwijzing te geven zoals hieronder is bepaald.
De notaris kan met de aanwijzing de door hem gewenste duidelijkheid verschaffen aan de schuldeisers.
De kantonrechter heeft daarnaast begrepen dat Interpolis de uitkering nog niet aan A heeft uitgekeerd en dat de notaris belanghebbende] heeft verzocht om ermee in te stemmen dat Interpolis de uitkering rechtstreeks aan de notaris als vereffenaar uitkeert, zodat hij daarmee in staat is om alle schulden te betalen.
De belanghebbende heeft echter geweigerd om haar medewerking hieraan te verlenen.
De kantonrechter kan belanghebbende niet verplichten om hieraan mee te werken, maar merkt wel op dat het hem een gepaste oplossing lijkt dat de uitkering van Interpolis rechtstreeks aan de notaris in zijn hoedanigheid van vereffenaar wordt uitgekeerd.
De notaris kan dan de schulden van de nalatenschap voldoen en het bedrag dat overblijft daarna aan A uitkeren.
Het is aan de notaris en belanghebbende om hierover samen afspraken te maken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een legaat of een quasi-legaat, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.