De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 11 november 2020 uitspraak gedaan over de vraag of er sprake was van een schenking van het perceel grond en van een woning.
Gedaagde betwist dat het perceel grond en het pand op het moment van overlijden van oma tot de nalatenschap van oma behoorden.
Deze onroerende zaken zijn namelijk bij leven door oma aan moeder geschonken, aldus gedaagde.
Erfrecht. Is er sprake van een schenking van grond en van een woning? Levering van onroerend goed bij schenking. Bewijs.
De rechter oordeelt als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat het perceel en het pand door oma aan moeder zijn geschonken.
De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
In de conclusie van antwoord wordt door gedaagde gesteld dat de schenking zou hebben plaatsgevonden in het kader van de uittreding van oma uit de vof die zij samen met moeder exploiteerde.
Enig bewijs dat oma inderdaad geschonken heeft ontbreekt echter.
Er is geen schenkingsakte opgemaakt en juridische levering van het pand en het perceel door oma aan moeder heeft niet plaatsgevonden.
Het enige schriftelijke stuk dat in dit verband is overgelegd is een kopie van een “verzoek geruisloze overdracht ex artikel 3.63, lid 1, wet IB 2001”.
Dit stuk is wellicht door oma ondertekend (dit wordt door de dochter ontkend), maar zelfs al zou vast staan dat de handtekening van oma onder dit stuk staat, dan volgt daar nog niet uit dat oma ook daadwerkelijk heeft geschonken.
Over een schenking staat niets in dit verzoek.
De enkele omstandigheid dat oma haar aandeel in de vof aan moeder overdraagt, is onvoldoende om aan te nemen dat oma daarmee het pand en het perceel aan moeder heeft geschonken.
Het verzoek betreft een fiscale kwestie en had tot doel te voorkomen dat al op het moment van de beëindiging van de vof fiscaal afgerekend moest worden in verband met het verschil tussen de boekwaarde en de werkelijke waarde van het perceel en het bedrijfspand.
Het verzoek en ook de positieve beslissing daarop door de belastingdienst heeft geen goederenrechtelijk effect en kan verbintenisrechtelijk hooguit een aanwijzing vormen voor de stelling van gedaagde dat er geschonken zou zijn.
Gedaagde heeft echter nagenoeg niets verklaard over wanneer en onder welke omstandigheden oma het pand en het perceel aan moeder zou hebben geschonken.
Hij verklaart slechts dat oma op enig moment tegen hem zou hebben gezegd dat hij rijk zou zijn geworden die dag omdat alles voor zijn vrouw zou zijn.
In welke context dit verklaard is en op grond waarvan de conclusie zou moeten worden getrokken dat deze uitspraak zag op het pand en het perceel, volgt niet uit zijn verklaring.
De rechtbank acht voorts nog van belang dat een schenking van het perceel en het pand afwijkt van de bepalingen in het testament van oma, dat oma op moment van de gestelde schenking 93 jaar oud was, licht dementerend was, in een verpleeghuis woonde en dat uit geen enkel verifieerbaar stuk afkomstig van oma volgt dat zij inderdaad wilde schenken.
Daarbij acht de rechtbank tevens van belang dat de schriftelijke stukken die van de zijde van gedaagde zijn overgelegd opgemaakt na het vertrek van oma uit de onderneming en dat geen levering bij de notaris heeft plaatsgevonden.
Met name dit laatste is bij uitstek een gelegenheid om de notaris te laten onderzoeken of oma inderdaad wilde schenken en leveren.
Daar komt nog bij dat in de notariële akte van 8 december 2015 tot levering van het pand, na verkoop door moeder aan een derde, staat dat moeder het pand heeft geërfd van oma.
Dat moeder schenkingsbelasting heeft betaald leidt niet tot een ander oordeel, nu het betalen van schenkingsbelasting slechts het gevolg was van het door moeder innemen van het standpunt dat er geschonken was.
De enkele omstandigheid dat oma, na haar terugtrekking uit de vof, niet met moeder tot een afrekening ter zake van het aandeel van oma in de vof is overgegaan, leidt tegen de achtergrond van het testament van oma en de leeftijd van oma niet tot de conclusie dat oma haar aandeel in de vof aan moeder heeft geschonken of zelfs maar heeft willen schenken.
Aangenomen kan worden dat oma hier eenvoudigweg niet aan toe gekomen is.
Overige omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat oma daadwerkelijk, op enig moment voor haar overlijden, aan moeder heeft geschonken, zijn gesteld noch gebleken.
Er is dan ook geen aanleiding om gedaagde tot bewijslevering toe te laten.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over onroerend goed in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.