Het Gerechtshof Den Haag heeft op 11 november 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de rechter rechtsmacht toekwam bij een verzoek tot machtiging van verwerping van een nalatenschap namens een minderjarige.

In hoger beroep verzoeken de ouders het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking, op grond van artikel 4:193 van het Burgerlijk Wetboek (BW) hen te machtigen als wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen de nalatenschap van erflater te verwerpen.

De ouders betogen dat de kantonrechter zich ten onrechte onbevoegd heeft verklaard om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

Zij voeren daarvoor kort gezegd aan dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter in dit geval niet op grond van artikel 5 Rv vastgesteld dient te worden maar op grond van de bevoegdheidsregels in de Europese Erfrechtverordening.

Volgens de ouders kan de Nederlandse rechter in het onderhavige geval rechtsmacht ontlenen aan artikel 4 althans artikel 11 dan wel artikel 13 van de Europese Erfrechtverordening.

Uitgaande van de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter, voeren de ouders verder aan dat de schulden van de nalatenschap van erflater het actief van de nalatenschap overtreffen (artikel 4:7 BW), zodat het in het belang van de minderjarigen is dat de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen worden gemachtigd om namens de minderjarigen de nalatenschap van erflater te verwerpen.

Internationaal erfrecht. IPR. Verzoek tot machtiging verwerping nalatenschap namens minderjarige. Rechtsmacht. Erfrecht of ouderlijke verantwoordelijkheid?

De rechter oordeelt als volgt.

Om te beginnen stelt het hof vast dat de onderhavige zaak een internationaal karakter heeft, omdat de nalatenschap van erflater in Nederland is opengevallen en de minderjarigen als wettelijke erfgenamen hun gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten hebben.

Daarmee rijst om te beginnen de vraag of de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid toekomt – oftewel rechtsmacht heeft – om van het onderhavige verzoek kennis te nemen.

Rechtsmacht van de Nederlandse rechter

Bij de beantwoording van de vraag naar de rechtsmacht van de Nederlandse rechter dient allereerst vastgesteld te worden of het onderhavige verzoek van de ouders – voor internationaal privaatrechtelijke doeleinden – gekwalificeerd dient te worden als een kwestie van erfrecht dan wel als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid.

Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie EU volgt dat het onderhavige verzoek gekwalificeerd dient te worden als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid (zie Hof van Justitie EU, 6 oktober 2015, C-404/14 :EU:C:2015:653 en 19 april 2018, C-565/16, EU:C:2018:265).

De verzochte toestemming betreft niet de erfopvolging van de minderjarigen, waarvoor de Erfrechtverordening geldt en niet de Brussel II bis-Verordening (artikel 1 lid 3 sub f).

De verzochte toestemming strekt ter bescherming van de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarigen die als erfgenamen worden geroepen tot de nalatenschap van erflater.

Daarmee valt het verzoek naar zijn aard binnen het materiële toepassingsgebied van de Brussel II bis-Verordening (zie artikel 1 lid 2 sub e en artikel 2 sub 7).

Anders dan de ouders betogen, blijft de Erfrechtverordening in dit geval derhalve buiten toepassing.

De vraag of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is, dient allereerst beantwoord te worden volgens de bevoegdheidsregels van de Brussel II bis-Verordening.

Het hof ziet in de Brussel II bis-Verordening echter geen bevoegdheidsgrondslag.

Het hof legt dat als volgt uit.

Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in de Verenigde Staten hebben, kan geen rechtsmacht worden ontleend aan artikel 8 lid 1.

Weliswaar geldt dat de ouders de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter hebben aanvaard in de zin van artikel 12 lid 3, maar naar het oordeel van het hof is niet voldaan aan het voor prorogatie van rechtsmacht gestelde vereiste dat de minderjarigen ‘een nauwe band’ hebben met – in dit geval – Nederland.

Dit vereiste van een nauwe band dient restrictief te worden uitgelegd, waarbij artikel 12 lid 3 vooral (‘met name’) oog heeft op de gewone verblijfplaats van een van de gezagsdragers in de betrokken lidstaat of de nationaliteit van de minderjarige van de betrokken lidstaat.

In het onderhavige geval is geen van deze aanknopingspunten met Nederland aanwezig.

Andere aanknopingspunten die ‘een nauwe band’ in de zin van artikel 12 lid 3 zouden kunnen opleveren, zijn gesteld noch gebleken.

Uit de door de ouders in eerste aanleg overgelegde verklaring blijkt dat de minderjarigen in augustus 2019 voor het eerst in Nederland zijn geweest voor vakantiedoeleinden, dat zij geen Nederlands spreken en dat er geen banden aanwezig zijn met de familie in Nederland.

Aan de overige bevoegdheidsregels in de Brussel II bis-Verordening kan het hof evenmin rechtsmacht ontlenen.

Nu de Verenigde Staten geen partij zijn bij het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996, geldt op grond van artikel 1 Rv dat de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter vastgesteld zal moeten worden op grond van de commune regels van internationaal bevoegdheidsrecht, meer in het bijzonder artikel 5 Rv.

Het hof is van oordeel dat de Nederlandse rechter in dit geval rechtsmacht kan ontlenen aan artikel 5 Rv.

Het hof motiveert dat als volgt.

Buiten de toepassing van verdragen en verordeningen, bepaalt artikel 5 Rv dat de Nederlandse rechter in zaken van ouderlijke verantwoordelijkheid geen rechtsmacht heeft, indien de minderjarige zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland heeft (zie ook Hoge Raad, 27 april 2007, HR:2007:AZ7772).

In uitzonderlijke gevallen heeft artikel 5 Rv echter ook een rechtsmacht-scheppende betekenis, namelijk wanneer de Nederlandse rechter zich wegens de verbondenheid van de zaak met de rechtssfeer van Nederland in staat acht het belang van de minderjarige naar behoren te beoordelen.

Het hof ziet, in de omstandigheid dat de minderjarigen als erfgenamen worden geroepen tot de in Nederland opengevallen nalatenschap van erflater, voldoende aanknopingspunten om rechtsmacht te kunnen aannemen op grond van artikel 5 Rv.

Daarbij heeft het hof laten meewegen dat de nalatenschap negatief is en de vermogensrechtelijke belangen van de minderjarigen zijn gediend bij een beslissing over de verzochte machtiging tot verwerping van de nalatenschap.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 5 Rv internationale bevoegdheid heeft om kennis te nemen van het onderhavige verzoek.

Op grond van artikel 76 Rv zal het hof de zaak inhoudelijk zelf afdoen. Het hof overweegt daarover het volgende.

Op grond van artikel 15 lid 1 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 geldt dat het onderhavige verzoek van de ouders beoordeeld dient te worden volgens de regels van ouderlijke verantwoordelijkheid van het Nederlandse recht, als het recht van de aangezochte staat die bevoegd is om van de zaak kennis te nemen (lex fori).

Naar Nederlands recht geldt dat de wettelijke vertegenwoordiger van een erfgenaam voor de verwerping van een nalatenschap een machtiging van de kantonrechter behoeft.

Het hof verwijst hiervoor naar artikel 4:193 BW.

De hier bedoelde bescherming van de minderjarige is weliswaar opgenomen in Boek 4 BW, handelend over de erfopvolging, maar dient in internationaal privaatrechtelijke zin gekwalificeerd te worden als een kwestie van ouderlijke verantwoordelijkheid.

Dit betekent dat de door artikel 4:193 BW beoogde bescherming van de minderjarige niet is beperkt tot de gevallen waarin Nederlands erfrecht de erfopvolging beheerst.

Steeds wanneer de Nederlandse rechter zich internationaal bevoegd acht om van een machtigingsverzoek kennis te nemen, geldt op grond van artikel 15 lid 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 de hiervoor bedoelde bescherming.

Nu voor het hof genoegzaam is gebleken dat het saldo van de nalatenschap van erflater negatief is, acht het hof de verzochte toestemming van de ouders in het belang van de minderjarigen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het internationale erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.