De Rechtbank Gelderland heeft op 11 juni 2021 uitspraak gedaan over een verzoek tot het vaststellen van een beheerregeling opdat de erfgenaam namens de nalatenschap tegen een mede-erfgenaam kan procederen.

Op 8 januari 2020 is erflater overleden.

Blijkens de verklaring van erfrecht van 25 augustus 2020 heeft erflater niet over zijn nalatenschap beschikt bij testament.

Het Nederlands wettelijk erfrecht bij versterf is van toepassing op deze nalatenschap.

De erfgenamen van de nalatenschap van erflater op grond van de wet zijn:

De verzoekende partij voor de helft, de verwerende partij voor een/vierde gedeelte en belanghebbende voor een/vierde gedeelte.

Verzoeker verzoekt de kantonrechter om te bepalen dat verzoeker op eigen naam, zij het in zijn hoedanigheid van deelgenoot bevoegd, althans gerechtigd is om ten behoeve van de nalatenschap van de erflater al datgene te doen wat binnen de kaders van de wet nodig en mogelijk is om hetzij in rechte hetzij buiten rechte duidelijkheid te krijgen over de eigendomsrechten van de erfgrenzen tussen de percelen van gerekwestreerde en die van erflater voornoemd, derhalve ter zake een (onherroepelijke) rechterlijke uitspraak te verkrijgen dan wel in het voorkomende geval een vaststellingsovereenkomst aan te gaan.

Erfrecht. Verzoek tot het vaststellen van een beheerregeling zodat erfgenaam namens de nalatenschap tegen een mede erfgenaam kan procederen.

De rechter oordeelt als volgt.

Het juridisch kader

De kantonrechter dient de verzoeken te toetsen aan de artikelen 3:168 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) jo 3:170 BW.

In artikel 3:168 BW is onder meer het volgende bepaald.

1. De deelgenoten kunnen het genot, het gebruik en het beheer van gemeenschappelijke goederen bij overeenkomst regelen.

2. Voor zover een overeenkomst ontbreekt, kan de kantonrechter op verzoek van de meest gerede partij een zodanige regeling treffen, zo nodig met onderbewindstelling van de goederen. Hij houdt daarbij naar billijkheid rekening zowel met de belangen van partijen als met het algemeen belang.

Artikel 3:170 BW, dat het beheer regelt, bepaalt:

1. Handelingen dienende tot gewoon onderhoud of tot behoud van een gemeenschappelijk goed, en in het algemeen handelingen die geen uitstel kunnen lijden, kunnen door ieder der deelgenoten zo nodig zelfstandig worden verricht. Ieder van hen is bevoegd ten behoeve van de gemeenschap verjaring te stuiten.

2. Voor het overige geschiedt het beheer door de deelgenoten tezamen, tenzij een regeling anders bepaalt. Onder beheer zijn begrepen alle handelingen die voor de normale exploitatie van het goed dienstig kunnen zijn, alsook het aannemen van aan de gemeenschap verschuldigde prestaties

3. Tot andere handelingen betreffende een gemeenschappelijk goed dan in de vorige leden vermeld, zijn uitsluitend de deelgenoten tezamen bevoegd.

Met deze laatste bepaling is door de wetgever tot uitdrukking gebracht dat met betrekking tot beschikkingshandelingen, die geen beheersdaden zijn, de deelgenoten niet bij overeenkomst een regeling kunnen treffen, waarbij wordt afgeweken van de hoofdregel.

Beschikkingshandelingen kunnen slechts door de deelgenoten samen worden verricht.

Dit geldt evenzeer voor de regeling die de kantonrechter kan treffen.

De regeling van artikel 3:168 BW kan het genot, gebruik en beheer betreffen.

De regeling kan niet de beschikking over de gemeenschapsgoederen betreffen.

Dat betekent dat de gemeenschapsgoederen die in de nalatenschap vallen niet kunnen worden vervreemd of bezwaard door een beheerregeling zoals bedoeld in artikel 3:168 BW.

Het onderliggende erfgrensgeschil tussen partijen ligt niet ter beoordeling aan de kantonrechter voor.

Wel is het van belang voor de beoordeling van de verzoeken vast te stellen in hoeverre het onderliggende geschil de nalatenschap raakt en wie de (potentiële) gerechtigden zijn.

De kantonrechter stelt vast op grond van het besprokene tijdens de zitting en de stukken die in het geding zijn gebracht dat het perceel, voor het geheel in de nalatenschap valt van erflater.

Dit perceel grenst aan het adres, waarvan verweerder het eigendom bezit.

Verweerder is deelgenoot (erfgenaam) voor een kwart van de nalatenschap en daarmee, voor kwart aandeel, deelgenoot van het perceel.

Verzoeker is deelgenoot (erfgenaam) voor de helft van de nalatenschap, de belanghebbende is deelgenoot (erfgenaam) voor een kwart deel.

Ten aanzien van het verzochte oordeelt de kantonrechter als volgt.

In beginsel is iedere deelgenoot bevoegd tot het instellen van rechtsvorderingen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap op grond van artikel 3:171 BW.

Deze regel ziet in beginsel slechts op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen derden en niet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot.

De kantonrechter is van oordeel dat verweerder in het onderliggende geschil niet is aan te merken als uitsluitend een derde.

Verweerder wordt immers aangesproken als deelgenoot van de nalatenschap en als derde met betrekking tot het erfgrensgeschil.

Mocht een rechtbank tot het oordeel komen dat een deel van het perceel behoort tot het perceel aan het genoemde adres, dan is verweerder deelgenoot voor een kwart.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dienen vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap jegens deelgenoten op de voet van 3:184 BW en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken.

Een uitzondering op het vorenstaande is gerechtvaardigd indien een vordering of verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot zich niet ervoor leent in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken.

De kantonrechter dient daarom vast te stellen of het onderliggende erfgrensgeschil in de verdeling van de nalatenschap kan worden betrokken of dat de hiervoor genoemde uitzondering zich voordoet.

De kantonrechter is mede gelet op hetgeen is overwogen van oordeel dat het gerezen erfgrensgeschil betreffende de percelen kan worden betrokken in een procedure tot verdeling.

Door dit onderliggende geschil is de omvang van de nalatenschap ongewis.

Teneinde de omvang van de nalatenschap te kunnen vaststellen, en daarmee de wijze van verdeling, dient de rechtbank in een verdelingsprocedure vast te stellen of het betwiste deel van het perceel al dan niet in de nalatenschap valt.

Alle erfgenamen zijn bekend en kunnen worden betrokken in de verdelingsprocedure.

Evenals de erfgenaam, deelgenoot, die volgens verzoeker een stuk grond zou hebben toegeëigend voor zichzelf.

De partij, verweerder in dit geval, wiens eigendom deels wordt betwist door verzoeker, is gebonden aan de verdeling die rechtbank eventueel vaststelt en die beslissing zal mede inhouden een beslissing over het erfgrensgeschil.

Te meer nu onweersproken is gebleven dat verweerder blijkens het uittreksel uit het kadaster, enig eigenaar van het perceel is.

De kantonrechter is daarom van oordeel dat een beheerregeling zoals verzocht niet kan worden toegewezen omdat er niets aan in de weg staat het erfgrensgeschil in een verdelingsprocedure te betrekken.

De kantonrechter oordeelt ten aanzien van het verzochte verder als volgt.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de kantonrechter gebleken dat verzoeker beoogt te beschikken over de (goederen in de) nalatenschap.

Verzoeker wenst een pachtovereenkomst te sluiten namens de nalatenschap met een derde.

Dit leidt naar het oordeel van de kantonrechter ertoe dat het eigendomsrecht van de landbouwgrond (aan wie dat eigendomsrecht na verdeling dan ook rechtsgeldig toekomt of toekomen) wordt bezwaard.

Een beheerregeling als verzocht kan de verzoeker dan ook niet baten omdat hij slechts kan beschikken over de (goederen in de) nalatenschap met alle deelgenoten gezamenlijk.

Nu het verzoek ziet op de het bezwaren van het perceel landbouwgrond met een pachtovereenkomst, zal de kantonrechter het verzoek dan ook afwijzen met inachtneming van de eerdere rechtsoverweging omdat het verzochte in strijd is met het bepaalde in de artikelen 3:168 BW jo 3:170 BW.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een beheerregeling in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.