Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 8 juni 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een toekenning van een gebruiksvergoeding in strijd was met de redelijkheid en billijkheid?

Appellant had een zus, die in 2017 is overleden.

Aanvankelijk samen met hun moeder (vanaf 1965), maar later met z’n tweeën (vanaf 1980) waren appellant en de zus gezamenlijk eigenaar van een woning waarin de zus tot aan haar overlijden woonde.

In haar testament heeft de zus haar levenspartner (geïntimeerde) tot haar enig erfgenaam benoemd.

Appellant maakt aanspraak op betaling door geïntimeerde als erfgenaam van de zus van een bedrag van € 113.808,- als gebruiksvergoeding over alle jaren waarin de zus woonde in hun gezamenlijke huis, zonder daarvoor enige vergoeding aan appellant te betalen.

Het geschil gaat over de vraag wat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen voor de hoogte van de gebruiksvergoeding en of de vordering van appellant geheel of gedeeltelijk is verjaard.

Erfrecht. Gebruiksvergoeding. Is een toekenning van de vordering jegens de erfgenaam van deelgenoot in strijd met de redelijkheid en billijkheid? Rechtsverwerking?

De rechter oordeelt als volgt.

Appellant en de zus waren, aanvankelijk (vanaf 1965) samen met hun moeder en later (vanaf 1980) met z’n tweeën, gezamenlijk eigenaar van de woning.

Op deze gemeenschap is artikel 3:169 BW van toepassing.

Uitgangspunt van artikel 3:169 BW is dat deelgenoten bevoegd zijn tot het gebruik van het gemeenschappelijke goed.

Artikel 3:169 BW heeft daarbij mede tot strekking de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (Hoge Raad, 22 december 2000, HR:2000:AA9143).

Op de gemeenschap zijn verder van toepassing de beginselen van redelijkheid en billijkheid, die op grond van art. 3:166 lid 3 juncto art. 6:2 BW ook de rechtsbetrekkingen tussen deelgenoten beheersen.

Tussen partijen staat vast dat de zus gedurende het bestaan van de gemeenschap steeds in de woning heeft gewoond, aanvankelijk samen met moeder, later alleen.

Zij maakte zodoende, met uitsluiting van appellant, gebruik van de woning.

Ter compensatie van het gemiste gebruik van de gemeenschappelijke woning vordert appellant nu van geïntimeerde, als enig erfgenaam van de zus, betaling van een gebruiksvergoeding.

Appellant heeft aangevoerd dat hij in de loop der jaren meerdere keren met zijn zus het gesprek heeft gezocht over het gebruik van de woning en het betalen van een gebruiksvergoeding.

Daarop reageerde de zus steeds bijzonder heftig, zij dreigde volgens appellant zelfs met zelfdoding, waardoor van enig constructief overleg geen sprake kon zijn. Omwille van de psychische gezondheid van de zus heeft appellant nadien niet meer bij haar aangedrongen op betaling van een gebruiksvergoeding.

Dat appellant de gebruiksvergoeding met de zus heeft besproken en dat de psychische gesteldheid van de zus eraan in de weg heeft gestaan om hierover tot afspraken te komen, wordt door geïntimeerde betwist.

Met de grieven komt appellant op tegen het oordeel van het rechtbank dat het niet redelijk is om appellant alsnog een gebruiksvergoeding toe te kennen.

Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking, alleen al omdat zij opkomen tegen onderdelen van het bestreden vonnis die slechts in onderlinge samenhang het oordeel van de rechtbank dragen.

Aan haar redelijkheidsoordeel heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat appellant het exclusieve gebruik van de woning door de zus van 1965 tot 2017 heeft laten voortduren, dat de zus gedurende deze periode steeds alle (eigenaars)lasten ten aanzien van de woning voor haar rekening heeft genomen en dat tegenover de vermogensrendementsheffing die appellant ten aanzien van de woning heeft moeten betalen een aanzienlijk rendement na verkoop van de woning staat.

Voor zover appellant heeft willen aanvoeren dat de rechtbank bij haar oordeel over het hoofd heeft gezien dat de zus de woning in eerste instantie samen met haar moeder bewoonde en pas vanaf 1980 exclusief het gebruik had van de woning, of dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat aan de zijde van appellant ter zake van de gebruiksvergoeding sprake was van afstand van recht of rechtsverwerking, missen de grieven feitelijke grondslag.

In haar motivering overweegt de rechtbank expliciet dat de zus de woning ‘aanvankelijk tezamen met haar moeder’ bewoonde. Van enig feitelijk misverstand is op dit punt dan ook geen sprake.

De rechtbank heeft verder uitdrukkelijk overwogen dat de redelijkheid en billijkheid tot maatstaf dienen bij het oordeel over de gebruiksvergoeding.

De overwegingen van de rechtbank over de redelijkheid van het alsnog toekennen van een gebruiksvergoeding moeten ook in dat licht worden gelezen.

Van enig (impliciet) oordeel over afstand van recht of rechtsverwerking aan de zijde van appellant blijkt niet uit die overwegingen.

Voor het overige voert appellant in de grieven aan dat de argumenten van de rechtbank het oordeel dat het niet redelijk is om hem alsnog een gebruiksvergoeding toe te kennen niet kunnen dragen.

Het hof is het daarmee niet eens.

Ook het hof komt tot het oordeel dat de redelijkheid en billijkheid er in de gegeven omstandigheden aan in de weg staan dat aan appellant alsnog een gebruiksvergoeding wordt toegekend ten aanzien van de woning.

Het hof licht dat als volgt toe.

Appellant stelt zich op het standpunt dat hij in de loop der jaren meerdere keren met zijn zus heeft geprobeerd tot afspraken te komen over het betalen van een gebruiksvergoeding, maar dat dit in al die jaren nooit is gelukt en dat hij het vanwege de familieband te ver vond gaan om de zaak (verder) op de spits te drijven.

In het licht van de omstandigheid dat appellant er gedurende het leven van zijn zus bewust voor heeft gekozen niet verder bij haar aan te dringen op het betalen van een gebruiksvergoeding, is het naar het oordeel van het hof in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat hij hiervoor na haar overlijden alsnog aanklopt bij haar erfgenaam (geïntimeerde) bij de verkoop van de woning.

Dat geldt ook zonder dat aan de zijde van appellant sprake is van afstand van recht of van rechtsverwerking.

Een gebruiksvergoeding is bedoeld als een vergoeding voor het missen van het gebruik van de woning.

Daarmee strookt in beginsel niet om te wachten met het maken van aanspraak op een dergelijke vergoeding tot de verkoop van de woning, als het gebruik al is beëindigd: een gebruiksvergoeding is niet een soort spaardepot dat tot uitkering komt bij verkoop van de woning.

Dat spreekt nog meer als de aanspraak geldend wordt gemaakt jegens een derde die niet het gebruik van de woning heeft gehad (geïntimeerde als erfgenaam van de zus).

Dat appellant heeft aangevoerd dat in redelijkheid juist van hem niet kon worden verwacht dat hij steviger in de richting van zijn zus zou optreden, maakt het voorgaande niet anders.

Ook op zichzelf begrijpelijke motieven om de kwestie van de gebruiksvergoeding in de richting van de zus te laten rusten maken in de omstandigheden van dit geval nog niet dat hierop later, na haar overlijden, in de richting van haar erfgenaam (geïntimeerde) alsnog met succes een beroep wordt gedaan.

Overigens heeft appellant de feiten waarop zijn stellingen berusten tegenover de weerspreking daarvan door geïntimeerde in het geheel niet onderbouwd.

Bij dit oordeel komt gewicht toe aan de duur van de gemeenschappelijke eigendom van de woning, zonder dat tussen appellant en de zus een gebruiksvergoeding werd overeengekomen.

Meer dan vijftig jaar waren appellant en de zus mede gerechtigd tot de woning, voordat de zus in 2017 overleed.

Indien de tijd dat moeder mede-eigenaar van de woning was niet wordt meegerekend, gaat het om een periode van ruim vijfendertig jaren waarin de zus het exclusieve gebruik van de gemeenschappelijke woning had zonder daarvoor een gebruiksvergoeding te hoeven betalen.

Ook is, ondanks de daartegen gerichte grief van appellant, van belang dat de zus steeds alle (eigenaars)lasten, waaronder ook de onderhoudskosten, van de woning heeft gedragen.

Uitgangspunt is dat deelgenoten in evenredigheid bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke zaak (art. 3:172 BW).

Dat de zus die kosten al die jaren alleen heeft gedragen zonder daarin een bijdrage te verlangen van appellant (en zonder dat appellant een bijdrage daarin heeft aangeboden), bood daarmee (financiële) compensatie voor het missen van gebruiksgenot.

Dat deze kosten in dit geval wellicht gering waren, zoals door appellant is aangevoerd maar door geïntimeerde (gemotiveerd) is betwist, doet aan de relevantie van deze omstandigheid in het licht van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid niets af.

In dat kader moeten immers alle feiten en omstandigheden worden meegewogen.

Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de woning aanzienlijk heeft gerendeerd.

Weliswaar is dat argument op zich onvoldoende om tot afwijzing van een gebruiksvergoeding te komen – een gebruiksvergoeding is immers een compensatie voor gemist gebruik, niet voor gemist rendement – maar in het licht van de stelling van appellant dat hij in Box 3 vermogensrendementsheffing over de woning verschuldigd was, komt aan dit argument wel degelijk gewicht toe.

Daar waar appellant een beroep doet op het moeten betalen van vermogensrendementsheffing om toekenning van een gebruiksvergoeding te rechtvaardigen, is het redelijk om het bij de verkoop van de woning behaalde rendement als gevolg van een verkoopprijs van € 285.000,- tegenover een oorspronkelijke koopsom van fl. 34.000,- in de afwegingen over de (redelijkheid van een) gebruiksvergoeding te betrekken.

Dat ook de zus dat rendement heeft gehad en dat dat nu toevalt aan geïntimeerde als haar erfgenaam doet daar niet aan af.

Dit alles leidt tot het hof tot het oordeel dat de grieven falen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een gebruiksvergoeding in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.