De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 1 september 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een gebruiksvergoeding voor het voortgezet gebruik van een bedrijfspand was verschuldigd.

Eiser en gedaagden zijn de (vijf) kinderen van wijlen de heer A (hierna: vader) en mevrouw B (hierna: moeder).

Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen gehuwd.

Met ingang van 1 november 1984 zijn vader en y gaan samenwerken in de vorm van een vennootschap onder firma en wel ter voortzetting van de tot die datum door vader gedreven onderneming (een eenmanszaak).

In geschil is de afwikkeling van de nalatenschappen van zowel vader als moeder.

De in conventie en reconventie door partijen ingenomen stellingen en de daarop gebaseerde vorderingen lenen zich voor een gezamenlijke beoordeling.

Ten aanzien van deze afwikkeling stelt de rechtbank het volgende voorop.

Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen gehuwd, zodat de nalatenschap van vader bestaat uit de helft van de ten tijde van zijn overlijden aanwezige huwelijksgoederengemeenschap.

Tot die huwelijksgoederengemeenschap behoorde onder meer het aan vader toekomende aandeel in het vermogen van de vennootschap onder firma die vader gezamenlijk exploiteerde met y.

Deze vennootschap onder firma is op grond van artikel 12 van de vennootschapsakte door het overlijden van vader ontbonden.

Erfgenamen van vader zijn eiser en gedaagden – zijn vijf kinderen – alsmede moeder, ieder voor 1/6 gedeelte.

Moeder was derhalve gerechtigd tot 7/12 gedeelte van de gehele huwelijksgoederengemeenschap en ieder kind voor 1/12 gedeelte daarvan.

Daarbij heeft vader bij testament het vruchtgebruik over zijn gehele nalatenschap aan moeder gelegateerd.

Gesteld noch gebleken is dat moeder daarbij ook een verterings- en vervreemdingsbevoegdheid had; uit het testament van vader volgt dat niet.

De rechtbank gaat er voorts vanuit – zoals ook uit de successieaangifte kan worden afgeleid en waarvan partijen blijkens hun stellingen ook alle uitgaan – dat alle erfgenamen de nalatenschap van vader hebben aanvaard.

Tussen partijen staat voorts vast dat y de onderneming die hij samen met vader exploiteerde, na het overlijden van vader feitelijk heeft voortgezet.

Tot een afrekening met de overige gerechtigden (moeder en de overige kinderen) is het echter nimmer gekomen.

Het pand is op naam van vader en y blijven staan – ieder voor de onverdeelde helft – en deze situatie bestaat thans nog steeds.

Het vruchtgebruik is geëindigd door het overlijden van moeder.

Tussen partijen is voorts niet in geschil dat alleen eiser, y en b erfgenamen zijn van moeder, ieder voor 1/3 deel (en kennelijk dat zij de nalatenschap hebben aanvaard), waarbij in ieder geval eiser de nalatenschap heeft aanvaard onder het voorrecht van boedelbeschrijving.

De rechtbank gaat er vanuit – nu niet gesteld of gebleken is dat dit anders is – dat c en j in hun onterving door moeder hebben berust.

De eiser heeft gesteld dat y een gebruiksvergoeding verschuldigd is ten aanzien van het pand en wel over de periode vanaf het overlijden van moeder tot het moment waarop het pand verdeeld wordt.

De eiser stelt de hoogte van deze gebruiksvergoeding op een bedrag van € 2.272,67 per maand, uitgaande van de in het “taxatieverslag courante niet woning” van 1 januari 2014 genoemde huurwaarde van (€ 1.232,00 + € 26.040,00 =) € 27.272,00 per jaar.

Tussen het moment van het overlijden van moeder (9 juni 2014) en het opstellen van de dagvaarding (juli 2019) zijn er 61 maanden verstreken, zodat de vergoeding aan de boedel tot dat moment een bedrag van € 138.632,87 beloopt, aldus eiser.

De gebruiksvergoeding dient volgens eiser volgens dezelfde maatstaf te worden verdeeld als de onder de rechtsoverweging toegepaste verdeelsleutel (waarbij er sprake is van een zeer gering afrondingsverschil tussen de berekening van eiser en bovenstaande berekening van de rechtbank).

Opgemerkt wordt dat eiser ter gelegenheid van de comparitie van partijen weliswaar heeft gesteld dat hij bij de berekening van de gebruiksvergoeding aan de hand van de huurwaarde van het pand geen rekening heeft gehouden met het feit dat y voor de helft eigenaar is van het pand, maar dat die constatering naar het oordeel van de rechtbank niet juist is.

Gelet op de gevorderde verdeling aan de hand van de door eiser genoemde percentages, wordt daarmee naar het oordeel van de rechtbank wél rekening gehouden.

Eiser heeft na de comparitie zijn eis – zoals aangekondigd – op onderdelen gewijzigd, maar heeft dit onderdeel ongewijzigd gelaten.

Kennelijk deelt hij bij nader inzien de constatering van de rechtbank van zojuist.

Y heeft betwist dat hij de door eiser gevorderde gebruiksvergoeding verschuldigd is.

Y heeft er daarbij op gewezen dat hij altijd huur heeft betaald en ook de volledige eigenaarslasten ten aanzien van het pand betaalt, dus niet alleen wat betreft zijn eigen aandeel in het pand maar ook ten aanzien van het aandeel van de overige gerechtigden.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Gebruiksvergoeding. Vennootschap onder firma. Voortzetting. Is een gebruiksvergoeding voor het bedrijfspand verschuldigd?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 3:169 BW mede tot strekking heeft de deelgenoot die het goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, te verplichten de deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding (zie onder meer Hoge Raad, 22 december 2000, NJ 2001, 59).

Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding spelen de redelijkheid en billijkheid, die ook tussen deelgenoten in acht moeten worden genomen (artikel 3:166 lid 3 BW), een rol.

Hoewel y heeft betoogd dat hij geen gebruiksvergoeding is verschuldigd, is de rechtbank van oordeel dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die tot het oordeel zouden dienen te leiden dat de redelijkheid en billijkheid zich in dit geval verzetten tegen toekenning van enige gebruiksvergoeding.

De enkele omstandigheid dat y de volledige eigenaarslasten van het pand stelt te hebben voldaan, is daartoe onvoldoende, hoewel dit wel een omstandigheid is waarmee bij de vaststelling van de hoogte van de gebruiksvergoeding rekening dient te worden gehouden.

De rechtbank acht een gebruiksvergoeding, waarbij de huurwaarde als uitgangspunt wordt genomen, redelijk.

De hoogte van de door eiser gestelde en met een “taxatieverslag courante niet woning” van 1 januari 2014 onderbouwde huurwaarde van € 2.272,67 per maand, is niet (voldoende) door y weersproken, zodat de rechtbank van de juistheid daarvan zal uitgaan.

Wat betreft de eigenaarslasten ten aanzien van de woning heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist dat deze lasten in ieder geval ná het overlijden van moeder – op welke periode de onderhavige vordering strekkende tot betaling van een gebruiksvergoeding betrekking heeft – volledig door y worden betaald;

De eiser heeft tenminste niet gesteld dat hij of één van de andere deelgenoten deze kosten hebben betaald en ook niet dat deze kosten al die jaren onbetaald zijn gelaten.

Partijen hebben zich beiden niet uitgelaten omtrent de omvang van de eigenaarslasten, welke kosten naar de inschatting van de rechtbank gering zijn.

Daartoe wordt opgemerkt dat er geen hypothecaire verplichtingen op het pand rusten en dat deze lasten dus met name zullen bestaan uit het eigenaarsdeel OZB en de premies opstalverzekering en (in dit geval: geringe) kosten van groot onderhoud.

Wat dit laatste betreft heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank onder overlegging van de als productie bij akte overlegging producties in het geding gebrachte foto’s van de staat van het pand voldoende aangetoond dat er de laatste jaren geen of slechts in beperkte mate onderhoud aan het pand is gepleegd.

De rechtbank ziet aanleiding om de door y aan de boedel (derhalve inclusief zijn eigen aandeel) te betalen gebruiksvergoeding met inachtneming van de door y betaalde (geschatte) eigenaarslasten in redelijkheid vast te stellen op een bedrag van € 2.000,00 per maand.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een gebruiksvergoeding, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.