Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 26 oktober 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de vordering bij wettelijke verdeling opeisbaar was op grond van (de uitleg van) een testamentaire beding.

Het hof heeft in het tussenarrest vastgesteld dat geïntimeerde op 12 december 2017 een zogenaamd levenstestament heeft laten opmaken, waarin zij een algemene volmacht heeft gegeven aan zowel haar zoon X als haar dochter Y.

Uit de aanhef van het levenstestament blijkt dat geïntimeerde een en ander heeft vastgelegd “voor het geval ik al dan niet onbekwaam ben. Hieronder versta ik: het tijdelijk of langdurig niet in staat zijn mijn wil te uiten en/of mijn belangen te behartigen.

Verder heeft geïntimeerde aangegeven dat zij “deze maatregelen [treft] om te voorkomen dat ik onder curatele wordt gesteld, dat over mijn goederen/vermogen een beschermingsbewind wordt ingesteld of dat ten behoeve van mij een mentorschap wordt ingesteld”.

Nu het door geïntimeerde opgemaakte levenstestament onder andere ten doel heeft te voorkomen dat zij onder curatele wordt gesteld of dat een beschermingsbewind wordt ingesteld over de haar toebehorende goederen, ligt, zoals het hof tevens in het tussenarrest heeft overwogen, de vraag voor of zich de situatie voordoet dat geïntimeerde in een toestand verkeert die materieel gezien overeenkomt met een curatele of bewind.

Daarmee zou de voorwaarde die erflater in artikel 4.2 sub d aan de opeisbaarheid van de in dat artikel bedoelde vorderingen heeft gesteld, kunnen zijn ingetreden.

Van de zijde van geïntimeerde is aangegeven dat zij niet ter gelegenheid van de door het hof gelaste mondelinge behandeling zal verschijnen, omdat het bijwonen van een zitting een te zware belasting voor geïntimeerde vormt en ten koste zal gaan van haar gezondheid.

Datzelfde heeft te gelden voor het laten plaatsvinden van een zitting door middel van een descente, aldus geïntimeerde.

Daarmee heeft het hof echter niet de kans (gekregen) om bij geïntimeerde na te gaan of zij in een toestand verkeert die materieel overeenkomt met de door erflater in artikel 4.2 sub d bedoelde situatie.

Het aanbod van de zijde van geïntimeerde, haar te doen horen door een medisch deskundige, volstaat niet.

De vraag of zich materieel eenzelfde situatie voordoet als een ondercuratelestelling of een onderbewindstelling, dient immers te worden beantwoord aan de hand van de wettelijke maatstaven die daarvoor gelden.

Daarbij staat ter vrije beoordeling van de rechter of deze een onderzoek door een medische deskundige noodzakelijk acht alvorens te beslissen (zie onder andere Hoge Raad, 28 januari 1983, HR:1983:AC7862, NJ 1983/481).

Hij hoeft tot het gelasten van een zodanig onderzoek niet over te gaan indien hij op grond van de overgelegde stukken en de verklaringen ter zitting tot de overtuiging is gekomen dat aan de voorwaarden voor het uitspreken van de maatregel is voldaan.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Opeisbaarheid van vordering bij wettelijke verdeling. Uitleg van een testamentaire beding. Wilsonbekwaamheid. Bewind of curatele. Intensieve zorg. PGB.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of zich materieel eenzelfde situatie voordoet als een ondercuratelestelling of een onderbewindstelling, geldt als maatstaf voor de onderbewindstelling of geïntimeerde tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen, vanwege haar lichamelijke of geestelijke toestand.

De uitlating bij brief van de zijde van geïntimeerde van 4 mei 2021, die erop neerkomt dat het bijwonen van een zitting een te zware belasting van geïntimeerde zal zijn, en de inhoud van de bijgevoegde brief, waarin de neuroloog verklaart dat “op basis van haar neurologische diagnose niet verwacht mag worden dat zij in de rechtbank kan worden bevraagd” en dat een en ander “een tijdelijke negatieve invloed kan hebben op haar fysieke en psychische functioneren”, vormen in samenhang met het op voorhand afwijzen van de mogelijkheid tot het houden van een descente, voor het hof belangrijke aanwijzingen dat zich een situatie voordoet, waarin de erflater heeft voorzien in zijn testament als beschreven onder 4.2 sub d.

Daarbij zijn ook redengevend de medische voorgeschiedenis van geïntimeerde – zij lijdt aan de ziekte van Parkinson en heeft in november 2016 een TIA gehad – en het gegeven dat zij – ook blijkens de overgelegde zorgindicaties – van (vrijwel) volledige zorg en verpleging afhankelijk is, alsmede het gegeven dat Y, zoals zij ter zitting heeft verklaard, de financiële zaken voor geïntimeerde doet.

Dat bij geïntimeerde, blijkens een door haar overgelegd mailbericht van de neuroloog K van 8 december 2019, op dat moment geen sprake was van een vorm van dementie en dat zij volgens deze neuroloog volledig wilsbekwaam was, doet aan die aanwijzingen niet af, temeer nu wilsonbekwaamheid niet een vereiste is voor het instellen van curatele of bewind.

Op grond van het voorgaande is het hof voorshands van oordeel dat geïntimeerde materieel in eenzelfde situatie verkeert als erflater heeft bedoeld onder 4.2 sub d van zijn testament.

Daarmee zouden de vorderingen van de afstammelingen volgens het testament van erflater opeisbaar zijn geworden.

Het hof zou normaal gesproken geïntimeerde toelaten tot het leveren van tegenbewijs van deze voorshands bewezen geachte stellingen, maar vanwege het onderstaande komt het hof daar niet aan toe.

Zoals hiervoor ook al aangehaald, heeft erflater onder 4 sub e van het testament laten opnemen dat de erfdelen opeisbaar zullen zijn indien geïntimeerde “metterwoon wordt opgenomen in een bejaardenoord of verpleeginrichting of vergelijkbare instelling voor zorg en/of verpleging, waarbij krachtens een wettelijke regeling aanspraak wordt gemaakt op het eigen vermogen van mijn partner”.

Het hof heeft in het tussenarrest geoordeeld dat deze situatie zich in ieder geval niet heeft voorgedaan ten tijde van het overlijden van erflater of enige tijd daarna tijdens het – tijdelijk – verblijf van geïntimeerde in een zorginstelling.

Het hof dient thans de vraag te beantwoorden of de feitelijke omstandigheden nadien, nadat geïntimeerde was overgegaan naar de voor haar geplaatste mantelzorgwoning op een perceel gelegen naast de woning van haar dochter, van dien aard zijn dat materieel gezien zich de situatie voordoet die erflater heeft bedoeld onder 4 sub e van het testament.

Het is met het oog op de beantwoording van die vraag dat het hof geïntimeerde heeft verzocht informatie met betrekking tot het vermogensverloop van geïntimeerde zoals omschreven onder 3.14 van het tussenarrest te overleggen, en niet, zoals geïntimeerde kennelijk meent, om het vermogensverloop op zichzelf te beoordelen of om rekening en verantwoording van geïntimeerde te vragen.

Het hof stelt voorop dat bij de uitleg van 4 sub e dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Uit de tekst van de testamentaire bepaling vloeit voort dat erflater heeft beoogd dat de vorderingen opeisbaar worden, indien geïntimeerde gaat verblijven in een instelling waarbij op grond van een wettelijke regeling aanspraak zou worden gemaakt op een bijdrage van geïntimeerde.

Dat geïntimeerde niet is opgenomen in een instelling voor zorg of verpleging is duidelijk.

Maar ook is voldoende duidelijk dat geïntimeerde enkel in staat is buiten een instelling te verblijven, juist vanwege de (volgens het indicatiebesluit: zeer intensieve) 24-uurszorg met verpleging die zij via een persoonsgebonden budget (hierna: pgb) ontvangt.

Uit de door haar overgelegde producties blijkt dat geïntimeerde in 2019 van het aan haar toegekende pgb-budget een bedrag van € 171.702,83 heeft besteed aan ingekochte zorg en over 2020 daaraan een bedrag van € 156.656,- van het toegekende pgb heeft besteed.

Gelet op de benodigde intensieve zorg en verpleging die ook blijkt uit de overgelegde urenlijsten, gaat het hof – aangezien het ook niet in staat is gesteld om aan de hand van inlichtingen van geïntimeerde zelf een en ander verder na te gaan – ervan uit dat de zorg die geïntimeerde nodig heeft, overeenkomt met de zorg die haar zou worden geboden bij verblijf in een instelling voor zorg of verpleging.

Naar het oordeel van het hof verkeert geïntimeerde dan ook in een situatie die feitelijk gelijk is aan het blijvend en metterwoon opgenomen zijn in een met een bejaardenoord of verpleeginrichting of vergelijkbare instelling voor zorg en/of verpleging.

Ook in de situatie waarin geïntimeerde verkeert, wordt krachtens een wettelijke regeling aanspraak gemaakt op haar vermogen.

Uit de door geïntimeerde overgelegde stukken valt immers af te leiden dat zij krachtens wettelijke regeling ter zake het door haar te ontvangen pgb (waarmee zij de voor haar benodigde zorg en verpleging inkoopt) een maandelijkse eigen bijdrage verschuldigd is, die mede is gebaseerd op haar vermogen.

De door haar te betalen bijdrage is afhankelijk van de hoogte van haar bijdrage-plichtige inkomen.

Dit bijdrageplichtige inkomen wordt bepaald aan de hand van haar verzamelinkomen (haar AOW) en een bijtelling aan de hand van de hoogte van haar vermogen, waarbij een bepaald percentage van haar vermogen als inkomen bij het verzamelinkomen wordt opgeteld.

De eigen bijdrage is derhalve mede afhankelijk van het vermogen van geïntimeerde.

Ook wordt de eigen bijdrage geacht uit het eigen inkomen (en niet uit het pgb) te worden betaald.

Daarenboven geldt dat geïntimeerde sinds zij in de zorgwoning verblijft op haar vermogen inteert, terwijl, zoals geïntimeerde bij memorie van antwoord zelf heeft gesteld, de bedoeling van erflater bij het testament is geweest dat geïntimeerde niet (vanwege de benodigde zorg en de daaraan verbonden kosten) verplicht zou worden om in te teren op haar vermogen, waardoor de vorderingen van de kinderen op haar aanzienlijk minder zouden worden.

Dat de door geïntimeerde te betalen bijdrage slechts een bedrag van € 23,- (in 2017 en 2018) en € 23,40 per maand (in 2019) bedraagt, doet hieraan niet af.

Daarbij acht het hof van belang dat uit de overigens door geïntimeerde overgelegde stukken volgt dat haar maandelijkse budget onvoldoende is om in de kosten van de woonzorgunit en haar levensonderhoud te voorzien, zodat het interen op het vermogen in elk geval mede zijn oorzaak vindt in het moeten voldoen van een eigen bijdrage.

Ook in zoverre verschilt de materiele situatie van geïntimeerde niet aan die van iemand, die is opgenomen in een bejaardenoord of verpleeginrichting of vergelijkbare instelling voor zorg en/of verpleging.

Al deze omstandigheden in aanmerking nemende, is voor het hof – ook omdat geïntimeerde ervoor heeft gekozen niet ter comparitie te verschijnen zodat geen inlichtingen zijn verstrekt die aanleiding geven tot een andere afweging of overweging – gegeven dat zich materieel een situatie voordoet als bedoeld onder 4 sub e van het testament.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de zevende en de negende grief van appellant in zoverre slagen, dat het hof uitgaat van de opeisbaarheid van de vorderingen per 15 augustus 2017, waarbij het hof aanknoopt bij de door appellant gestelde datum in samenhang met de datum waarop de huur van de mantelzorgwoning is ingegaan (10 augustus 2017).

Geïntimeerde heeft het ingaan van de huur op die datum op zichzelf niet weersproken.

In zoverre kan de gevraagde verklaring voor recht worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de uitleg van een testament, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.