De Rechtbank Amsterdam heeft op 30 maart 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een erfgenaam onwaardig was om te erven na een strafrechtelijke veroordeling.
Kort gezegd gaat het in deze zaak om de geldigheid van het op 31 mei 2016 opgemaakte testament van de moeder van de drie broers (eisers en gedaagde).
Twee broers hebben de geldigheid van het testament van hun moeder aangevochten, waarin hun andere broer, die is veroordeeld voor de moord op hun gezamenlijke moeder, als enig erfgenaam is benoemd.
In dat testament is gedaagde als enig erfgenaam benoemd en zijn eisers onterfd.
Eisers hebben kort samengevat gesteld dat het testament van 31 mei 2016 niet geldig is.
Erfrecht. Testament. Onwaardigheid om te erven na strafrechtelijke veroordeling. Plaatsvervulling. Processueel ondeelbare rechtsverhouding. Oproeping.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat gedaagde op grond van artikel 4:3 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek (BW) van rechtswege onwaardig is om voordeel te trekken uit de nalatenschap van erflaatster (moeder).
Op grond van dit artikel is namelijk van rechtswege onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken, een persoon die onherroepelijk is veroordeeld wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 8 december 2020 volgt dat gedaagde onherroepelijk is veroordeeld voor moord op erflaatster.
Gedaagde heeft aldus een misdrijf gepleegd als bedoeld in artikel 4:3 lid 1 sub b BW.
Hij kan daardoor dus geen voordeel meer trekken uit de nalatenschap van zijn moeder.
Tijdens de mondelinge behandeling op 17 maart 2022 is aan de orde gesteld de vraag wat de gevolgen zijn van deze onherroepelijke veroordeling van gedaagde voor de vorderingen die eisers ingesteld, namelijk vernietiging van het testament.
Aangezien gedaagde geen voordeel meer kan trekken uit de nalatenschap van erflaatster, is de vraag of het testament wel/niet geldig is ten opzichte van gedaagde niet meer van belang, maar gelet op de regels van plaatsvervulling, wel ten opzichte van zijn kinderen.
Juist in verband hiermee is de zaak vanaf 2017 aangehouden.
Desondanks zijn de kinderen van gedaagde, ook ná de onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van gedaagde, niet door eisers in deze procedure betrokken.
Eisers hebben ter zitting aangevoerd dat de kinderen van gedaagde in deze procedure kunnen worden opgeroepen op grond van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Gedaagde heeft hiertegen bezwaar gemaakt en aangevoerd dat eisers niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, omdat eisers vanaf de onherroepelijke veroordeling van gedaagde in 2020 de tijd hebben gehad om de kinderen van gedaagde in deze zaak te betrekken, hetgeen zij hebben nagelaten.
De rechtbank moet gedaagde nageven dat eisers ruimschoots – in ieder geval vanaf de onherroepelijke veroordeling in 2020 – de tijd hebben gehad om de kinderen in deze procedure te betrekken.
Dit geldt temeer nu op de zitting in 2017, waar eveneens is gesproken over het belang van gedaagde bij (de geldigheid van) het testament na een eventuele onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling, is besloten om de procedure aan te houden.
Het had daarom zeer voor de hand gelegen om de kinderen van gedaagde daarna in deze procedure te betrekken.
Dat dit toen niet is gebeurd, staat echter niet in de weg aan het alsnog oproepen van de kinderen in dit stadium van het geding.
Artikel 118 Rv geeft de rechter daartoe de mogelijkheid.
Voor het oproepen van (een) derde(n) op de voet van artikel 118 Rv bestaat soms een wettelijke grondslag, maar ook zonder wettelijke grondslag kan er aanleiding zijn om (een) derde(n) in het geding op te roepen.
Die aanleiding is hier gelegen in het feit dat een beslissing over de (on)geldigheid van het testament niet langer de belangen van gedaagde, maar wel die van zijn kinderen betreft.
Zij moeten dus hun standpunt kenbaar kunnen maken ten aanzien van de vorderingen van eisers in verband met de gestelde ongeldigheid van het testament zodat een beslissing over de (on)geldigheid van het testament binnen een ruimere kring geldt dan tussen eisers en gedaagde, als de enig oorspronkelijk gedaagde.
Andere feiten die aan de oproeping van de kinderen van gedaagde in de weg staan, heeft gedaagde niet gesteld.
Deze zijn de rechtbank overigens ook niet gebleken.
De rechtbank zal eisers als meest gerede partij daarom in de gelegenheid stellen de kinderen van gedaagde op de voet van artikel 118 Rv op te roepen om hen als partij in het geding te betrekken.
De kinderen van gedaagde kunnen alsdan ieder een standpunt innemen ten aanzien van zowel de bij dagvaarding door eisers ingestelde vorderingen met betrekking tot de ongeldigheid van het testament.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de geldigheid van een testament, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.