Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 augustus 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een beroep op de verjaring van een vordering tot afgifte van een legaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was.

Op 20 mei 1986 is de erflater overleden met achterlating van zijn drie kinderen, te weten geïntimeerde en de broer en zus van geïntimeerde, als zijn enige erfgenamen.

Appellant is een niet erkend kind van erflater.

Erfrecht. Heeft erfgenaam een legaat verzwegen? Beroep op verjaring tot afgifte legaat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar? Grond voor verlenging van verjaring?

De rechter oordeelt als volgt.

Heeft geïntimeerde onrechtmatig gehandeld jegens appellant?

Alvorens te beoordelen wat appellant over de verjaring aanvoert zal het hof de stelling van appellant dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld bespreken.

Appellant verwijt geïntimeerde dat deze opzettelijk heeft verzwegen dat erflater het perceel land aan hem heeft gelegateerd en dat geïntimeerde samen met zijn broer en zus het perceel land heeft verdeeld.

Geïntimeerde betwist dat hij het legaat heeft verzwegen.

Hij voert aan dat de notaris aan wie de erfgenamen de opdracht hebben gegeven om de scheiding en deling van het perceel te regelen het testament van erflater over het hoofd heeft gezien.

De reden daarvoor was dat het testament bij het maken daarvan verkeerd was geregistreerd in het Centraal Testamentenregister in Suriname (alleen met de voornaam), wat bij overlijden en het vragen van inlichtingen met vermelding van de achternaam voor verwarring heeft gezorgd.

Het hof oordeelt dat niet is komen vast te staan dat geïntimeerde het legaat van het perceel land opzettelijk heeft verzwegen voor appellant.

Geïntimeerde heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte was van het testament en toegelicht wat daarvan de oorzaak was.

De correspondentie die appellant als bijlagen 7-10 in de procedure bij de rechtbank heeft overgelegd ondersteunt het betoog van geïntimeerde.

Appellant biedt verder geen bewijs aan van zijn gemotiveerd betwiste stelling.

Omdat niet vaststaat dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld is het niet nodig nog in te gaan op de verweren van appellant ten aanzien van de verjaring van de rechtsvordering tot vergoeding van de schade.

Is een beroep op de verjaringstermijn van 20 jaar van artikel 3:310 lid 1 voor de afgifte van het legaat hier onaanvaardbaar?

Dat appellant een vorderingsrecht heeft vanwege het legaat staat wel vast.

Tussen partijen is in hoger beroep niet in geschil dat in beginsel de rechtsvordering van appellant tot nakoming van dit legaat is verjaard (artikel 3:310 lid 1 BW en artikel 73 Overgangswet nieuw BW).

Sinds het opeisbaar worden van het legaat zijn meer dan 20 jaar verstreken.

Appellant stelt dat het legaat op de sterfdag van erflater (20 mei 1986) opeisbaar is geworden.

Appellant voert twee verweren:

(1) een beroep op deze verjaringstermijn van 20 jaar is in dit geval onaanvaardbaar en

(2) er is een grond voor verlenging van de verjaring.

De verjaringstermijn van twintig jaar heeft een objectief en in beginsel absoluut karakter.

Dat wil zeggen dat het beginsel van rechtszekerheid dat deze absolute termijn beoogt te dienen en de billijkheid jegens de wederpartij meebrengen dat hieraan strikt de hand moet worden gehouden, ook al zijn uitzonderingen denkbaar.

Gelet op de belangen die deze termijn beoogt te dienen, waaronder in het bijzonder het belang van de rechtszekerheid, zal echter van onaanvaardbaarheid als in artikel 6:2 lid 2 BW bedoeld slechts in uitzonderlijke gevallen sprake kunnen zijn.

Met betrekking tot een rechtsvordering tot vergoeding van schade heeft de Hoge Raad overwogen dat een zodanig uitzonderlijk geval zich kan voordoen wanneer onzeker is of de gebeurtenis die de schade kan veroorzaken inderdaad tot schade zal leiden, die onzekerheid zeer lange tijd is blijven bestaan en de schade in die zin naar haar aard verborgen is gebleven nadat zij daadwerkelijk is ontstaan en dus pas kon worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn reeds was verstreken.

Of in een dergelijk geval toepassing van de objectieve verjaringstermijn inderdaad naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zal met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld.

In dit verband heeft de Hoge Raad zeven gezichtspunten genoemd, waarvan de rechter blijk moet geven deze in zijn beoordeling te hebben betrokken (Hoge Raad, 23 april 2021, HR:2021:649 en
Hoge Raad, 28 april 2000, HR:2000:AA5635).

Deze regel is ook van toepassing op de rechtsvordering tot afgifte van het legaat.

Die zeven gezichtspunten zijn:

  1. of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en — mede in verband daarmede — of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden dan wel een derde;
  2. in hoeverre voor het slachtoffer respectievelijk zijn nabestaanden ter zake van de schade een aanspraak op een uitkering uit andere hoofde bestaat;
  3. de mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten;
  4. in hoeverre de aangesprokene reeds vóór het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
  5. of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
  6. of de aansprakelijkheid (nog) door verzekering is gedekt;
  7. of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.

In dit geval gaat het om vergoeding van vermogensschade (a).

Appellant heeft ter zake van de gestelde schade geen aanspraak op een uitkering uit anderen hoofde (b).

Zoals hiervoor al is overwogen staat niet vast dat geïntimeerde weet had van het legaat aan appellant in het testament van erflater; hij hoefde geen rekening te houden met de mogelijkheid dat hij tot afgifte van dat legaat zou worden aangesproken (c en d).

De notaris aan wie de erfgenamen de opdracht hebben gegeven om de scheiding en deling van het perceel te regelen heeft het testament van erflater over het hoofd gezien.

De reden daarvoor was – als hiervoor al is gezegd – dat het testament bij het maken daarvan verkeerd was geregistreerd in het Centraal Testamentenregister in Suriname (alleen met de voornaam), wat bij overlijden en het vragen van inlichtingen met vermelding van de achternaam voor verwarring heeft gezorgd.

Het is niet bekend of de aansprakelijkheid door verzekering is gedekt (f).

De gestelde schade is kennelijk in de zomer van 2018 aan het licht gekomen.

Dat volgt uit correspondentie die de advocaat van appellant aan de rechtbank heeft overgelegd.

Appellant heeft op 9 december 2020 geïntimeerde aangeschreven en hem gesommeerd het perceel aan hem te leveren en hem op 26 januari 2021 gedagvaard (g).

Al met al is het hof van oordeel dat hier geen sprake is van een zodanig uitzonderlijk geval dat het beroep van geïntimeerde op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Hier doet zich niet het geval voor dat de aanspraak van appellant op grond van het aan hem gemaakte legaat naar zijn aard verborgen is gebleven en pas konden worden geconstateerd nadat de verjaringstermijn was verstreken (zoals hiervoor bedoeld).

Appellant wist kennelijk van het overlijden van erflater.

Hij heeft in elk geval niet gesteld dat hij daarvan pas veel later op de hoogte is geraakt.

Hij had in 1986 of in ieder geval voor 2006 al onderzoek kunnen verrichten naar het bestaan van een testament.

Dat heeft hij pas in 2018 gedaan.

Appellant licht niet toe waarom hij pas in 2018 in actie is gekomen.

Is sprake van een grond voor verlenging van de verjaring?

Appellant voert aan dat geïntimeerde opzettelijk het bestaan van het legaat en de opeisbaarheid daarvan voor hem heeft verborgen (artikel 3:321 lid 1 onder f BW).

Als dat juist zou zijn duurt de verjaringstermijn voort totdat zes maanden na het verdwijnen van die grond zijn verstreken.

Geïntimeerde betwist de stelling van appellant dat hij als schuldenaar opzettelijk het legaat voor hem heeft verborgen gehouden en licht dat ook toe.

Zoals hiervoor al is overwogen is verkeerd geregistreerd en heeft de notaris hij bij het verzorgen van de scheiding en deling van het perceel het testament over het hoofd gezien.

Dat geïntimeerde het legaat opzettelijk heeft verzwegen, is niet komen vast te staan.

Appellant biedt – als gezegd – niet aan deze stelling te bewijzen.

Er is dus geen grond voor verlenging van de verjaringstermijn.

Bovendien heeft appellant niet binnen de verlengde termijn van zes maanden na het verdwijnen van de grond zijn rechtsvordering ingesteld.

De grond is in de zomer van 2018 verdwenen, terwijl de rechtsvordering pas op 26 januari 2021 is ingesteld.

Van enige stuiting van de verjaring in de termijn van zes maanden is niet gebleken.

Het hoger beroep slaagt niet.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.