De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft op 3 maart 2023 de schorsing en hervatting van de procedure na het overlijden van een procespartij besproken.
In deze zaak doet zich de bijzondere situatie voor dat tijdens de procedure in eerste aanleg een procespartij is overleden, zowel aan de eisende kant (de moeder) als aan de verwerende kant (één van haar twee zonen).
Daarnaast staat vast dat de moeder haar beide zonen heeft onterfd.
Zij zijn dus geen erfgenaam van de moeder (art. 4:1 lid 2 BW).
Zoals uit het testament van de moeder blijkt, zijn ook de kinderen van de twee zonen bij testament van de moeder onterfd.
Erfrecht. Procesrecht. Schorsing en hervatting procedure na overlijden procespartij. Executeur. Vereffenaar. Procederen in de juiste hoedanigheid. Kennelijke fout? Eenvoudig herstel mogelijk?
De AG concludeert als volgt.
Art. 4:7 BW bepaalt wat tot de schulden van de nalatenschap behoort. Voor zover hier van belang bepaalt art. 4:7 lid 1 onder a BW dat de schulden van de erflater die niet met zijn dood teniet zijn gegaan, tot de schulden van de nalatenschap behoren.
De schuldeisers van de nalatenschap kunnen hun vorderingen op de goederen van de nalatenschap verhalen (art. 4:184 lid 1 BW).
Het voorgaande brengt mee dat de gezamenlijke erfgenamen van de moeder schuldeiser zijn geworden van de gezamenlijke erfgenamen van de ene zoon van de moeder enerzijds en van de andere zoon anderzijds.
Zij zijn dus schuldenaar.
Met betrekking (tot de ene zoon van de moeder) brengt dit mee dat diens schuld aan de moeder uit onrechtmatige daad door de erfgenamen van de moeder kan worden verhaald op de goederen van zijn nalatenschap.
De procedure in eerste aanleg is na het overlijden van de moeder voortgezet door de drie dochters.
De cassatieprocedure is door de twee dochters aanhangig gemaakt.
Dit gegeven noopt tot ambtshalve onderzoek naar de hoedanigheid waarin de drie dochters in eerste en tweede aanleg hebben geprocedeerd en de twee dochters thans in cassatie procederen en de vraag of zij procesbevoegdheid bezitten.
Daarnaast dient de vraag naar de procesbevoegdheid ook te worden beantwoord met betrekking tot de in cassatie niet verschenen verweerders, nu ook aan die zijde sprake is van voortzetting van de procedure na het overlijden van een van de oorspronkelijke gedaagden door diens dochters/erfgenamen.
Beide procesbevoegdheden worden de eerste ontvankelijkheidskwestie genoemd.
In de procesinleiding wordt opgemerkt dat de advocaat geen opdracht heeft gekregen van de derde dochter, één van drie dochters die in hoger beroep als geïntimeerde in het geding was betrokken, om mede namens haar beroep in cassatie in te stellen.
In de procesinleiding wordt, zakelijk en verkort weergegeven, aangevoerd dat het in deze zaak om een vordering van de nalatenschap van de moeder op (de erfgenamen van) haar zonen gaat en dat het daarom verdedigbaar is dat het een processueel ondeelbare rechtsverhouding betreft die ertoe noopt dat de beslissing met betrekking tot die vordering ten aanzien van alle erfgenamen van de moeder in dezelfde zin luidt.
De rolraadsheer van de Hoge Raad heeft in dit verband, kort samengevat, laten weten vooralsnog van oordeel te zijn dat oproeping van de derde dochter niet nodig is.
Met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 maart 201710 wordt opgemerkt dat de derde dochter, in zoverre ook in de procedure in cassatie zou moeten worden betrokken.
Het antwoord op de vraag of sprake is van een processueel ondeelbare rechtsverhouding waardoor de rechter zo nodig ambtshalve de gelegenheid dient te geven om de niet opgeroepen erfgenaam alsnog als partij in het geding te betrekken door oproeping binnen een door de rechter te stellen termijn, is m.i. een aspect dat in het kader van de eerste ontvankelijkheidskwestie speelt.
Zoals hierna bij het juridisch kader van de eerste ontvankelijkheidskwestie aan de orde zal komen, kunnen de erfgenamen, in het geval een executeur of vereffenaar in functie is, niet in de hoedanigheid van erfgenamen voor de nalatenschap optreden.
De executeur of vereffenaar treedt namelijk op als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen.
In een dergelijk geval wordt niet toegekomen aan de vraag of zo nodig de niet verschenen erfgen(a)am(en) ambtshalve moet(en) worden opgeroepen.
Een tweede ontvankelijkheidskwestie betreft de vraag of in dit geval sprake is van een bezwaar dat op grond van art. 399 Rv kan worden hersteld door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend.
Deze vraag rijst omdat in het middel, kort gezegd, wordt geconstateerd dat het hof met betrekking tot een van de twee verkochte percelen, over het hoofd lijkt te hebben gezien dat het hof in zijn tussenarrest van 11 augustus 2020 al heeft geoordeeld dat geen grieven waren gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de zonen onrechtmatig jegens hun moeder hebben gehandeld met betrekking tot perceel 1.
Voor de beantwoording van deze – eveneens ambtshalve te stellen – vraag is een beoordeling van de in het middel geformuleerde klachten van belang.
Daarom bespreek ik de tweede ontvankelijkheidskwestie bij de behandeling van het cassatiemiddel.
Juridisch kader eerste ontvankelijkheidskwestie
(a) schorsing en hervatting van procedure na overlijden procespartij
Op grond van art. 225 lid 1 onder a Rv is de dood van een partij een grond voor schorsing van het geding.
Schorsing vindt ingevolge het tweede lid van art. 225 Rv plaats door betekening van de ingeroepen grond voor de schorsing aan de wederpartij dan wel door een daartoe strekkende akte ter rolle.
Bij gebreke hiervan wordt het geding op naam van de oorspronkelijke partij voortgezet.
Art. 227 lid 1 Rv bepaalt vervolgens, voor zover van belang, dat het geding na schorsing wordt hervat in de stand waarin dit zich bij de schorsing bevond doordat de partij bij wie de grond voor schorsing is opgekomen bij de betekening van de schorsingsgrond verklaart dat het geding wordt hervat (onder a) of doordat een der partijen, met instemming van de andere partij, een daartoe strekkende akte ter rolle neemt, dan wel bij exploot verklaart dat het geding wordt hervat (onder b).
De achtergrond van art. 225 lid 1 onder a Rv is dat de erfgenaam/erfgenamen van de overleden procespartij onverhoeds de zeggenschap krijgt/krijgen over het procesbeleid van de lopende procedure, maar wellicht behoefte hebben aan onderzoek naar de stand van de zaak en/of beraad.
Het gaat hier dus om een beschermingsbepaling ten behoeve van een erfgenaam/erfgenamen aan wie enig respijt moet worden gegeven.
Roepen de gezamenlijke erfgenamen deze grond in, dan kan de procedure daarna worden hervat waarbij erflater wordt vervangen door de gezamenlijke erfgenamen.
Een veroordelend vonnis kan op goederen van de nalatenschap ten uitvoer worden gelegd evenals dat het geval zou zijn geweest met een tegen de erflater verkregen vonnis.
Dat geldt ook indien de erfgenaam/erfgenamen geen gebruik maakt/maken van de mogelijkheid van schorsing en het vonnis tegen de inmiddels overleden erflater wordt gewezen.
Het antwoord op de vraag wie namens de partij aan wier zijde zich de grond voor schorsing voordoet bevoegd is te schorsen, wordt volgens Perrick onder meer bepaald door het al dan niet in functie zijn van een executeur of een vereffenaar van de nalatenschap.
Indien er een executeur of vereffenaar in functie is aan wie de bevoegdheid tot beheer van de goederen van de nalatenschap toekomt, komt aan deze de bevoegdheid toe om te schorsen door het overlijden aan de wederpartij te betekenen dan wel schorsing te bewerkstelligen door een daartoe strekkende akte ter rolle.
In geval van het overlijden van een procespartij kan de procedure in desbetreffende instantie eventueel worden voortgezet op naam van de erflater.
Dit geldt niet voor de procedure in de volgende instantie.
Een rechtsmiddel zal moeten worden ingesteld door of tegen de gezamenlijke erfgenamen of – indien er een erfrechtelijke functionaris is zoals een executeur of vereffenaar – door of tegen die functionaris.
(b) executeur of vereffenaar als formele procespartij (aan eisende of verwerende kant)
Een erflater kan bij uiterste wilsbeschikking een of meer executeurs benoemen (art. 4:142 lid 1 BW). Zijn er twee of meer executeurs, dan kan, tenzij de erflater anders heeft beschikt, ieder van hen alle werkzaamheden alleen verrichten (art. 4:142 lid 2 BW).
Art. 4:144 lid 1 BW bepaalt vervolgens dat de executeur, onverminderd de testamentaire lasten die de erflater aan deze mocht hebben opgelegd, en voor zover de erflater niet anders heeft beschikt, tot taak heeft de goederen der nalatenschap te beheren en de schulden der nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan.
De bevoegdheid tot beheer omvat de bevoegdheid om te procederen ter zake van onder beheer staande goederen.
Art. 4:145 lid 2 BW bepaalt in dit verband dat de executeur gedurende zijn beheer bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt.
Zoals hiervoor al kort is aangestipt, heeft de Hoge Raad in een arrest van 1 april 2022, met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, nog eens bevestigd dat de executeur hierbij optreedt als privatief vertegenwoordiger van de erfgenamen en dat dit betekent dat de erfgenamen niet zelf als zodanig voor de nalatenschap kunnen optreden.
Iets soortgelijks geldt als er een vereffenaar in functie is. Op grond van art. 4:211 lid 1 BW heeft een vereffenaar tot taak de nalatenschap als een goed vereffenaar te beheren en te vereffenen.
Art. 4:211 lid 2 BW bepaalt dat de vereffenaar bij de vervulling van zijn taak de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt.
Art. 4:195 lid 1 BW bepaalt dat indien een nalatenschap door een of meer erfgenamen beneficiair is aanvaard en zij uit dien hoofde overeenkomstig afdeling 3 van Titel 6 van Boek 4 BW moet worden vereffend, alle erfgenamen vereffenaar zijn.
In dat geval oefenen de erfgenamen in beginsel, hun bevoegdheden als vereffenaars van de beneficiair aanvaarde nalatenschap tezamen uit (art. 4:198 BW).
Dit betekent dat alle vereffenaars partij moeten zijn in een procedure.
Als een executeur of vereffenaar in functie is, is dus uitsluitend deze erfrechtelijke functionaris bevoegd om te procederen namens een nalatenschap.
Hij/zij is de formele procespartij.
De gezamenlijke erfgenamen blijven weliswaar de materiële procespartij, maar zij zijn niet (langer) bevoegd om als zodanig voor de nalatenschap op te treden en zijn daardoor in beginsel niet-ontvankelijk in een procedure.
Dit kan echter anders liggen wanneer de erfgenamen in persoon in een procedure betrokken zijn.
In 2014 verwierp de Hoge Raad een beroep van verweerders op niet-ontvankelijkheid van de erfgenamen in hun cassatieberoep omdat zij door het hof in persoon waren veroordeeld te betalen en daarom recht en belang hadden daartegen in eigen naam in cassatie op te komen.
Of in een voorkomend geval een executeur of vereffenaar in functie is, zal in de praktijk worden afgeleid uit de zgn. verklaring van erfrecht.
Dit is een notariële akte waarin een notaris een of meer van de in art. 4:188 lid 1 BW genoemde feiten vermeldt, waaronder (onder d) dat al dan niet het beheer van de nalatenschap aan executeurs, bewindvoerders of vereffenaar is opgedragen met vermelding van hun bevoegdheden en (onder e) of dat een of meer in de verklaring genoemde personen executeur, bewindvoerder of vereffenaar zijn.
Art. 4:187 lid 1 BW bepaalt dat degene die is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, te dien aanzien als te goeder trouw geldt, tenzij zich de uitzondering van art. 4:187 lid 3 BW voordoet.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.