De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een incidentele en provisionele vordering tot uitbetaling van een voorschot op erfenis door de executeur mogelijk was.
Eisers vorderen dat de rechtbank de executeur zal veroordelen tot betaling van een voorschot van € 21.329,68 aan ieder van eisers.
Eisers leggen aan deze provisionele vordering ten grondslag dat tussen partijen niet in geschil is dat in de hoofdzaak ten minste het bedrag van € 21.392,68 dient te worden toegewezen.
Ook zijn hun vorderingen al geruime tijd opeisbaar en is de executeur niet bevoegd de betaling op te schorten of daaraan de voorwaarde te verbinden dat zij akkoord moeten gaan met de door hem becijferde bedragen.
De executeur voert als verweer aan dat eisers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij een zodanig belang hebben bij uitbetaling van een voorschot dat niet van eisers kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdzaak afwachten.
Ook is tussen partijen nooit overeenstemming bereikt over de (minimale) hoogte van de vorderingen van eisers.
De executeur concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van eisers in het incident, althans hun de vorderingen te ontzeggen.
Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Incident tot betaling van een voorschot op erfenis door de executeur. Provisionele vordering. Dringend belang. Belangenafweging. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Nu de executeur uitdrukkelijk in hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van erflaatster is gedagvaard (alsmede pro se) kan hiermee niet anders bedoeld zijn dan hem te dagvaarden als executeur met de bevoegdheden die hem als zodanig in het testament zijn toegekend (zie in dit kader ook de beschikking van de Hoge Raad van 5 november 2021, HR:2021:1646).
Betaling van een voorschot?
Artikel 223 Rv geeft als vereisten voor het instellen van een provisionele vordering dat de hoofdzaak aanhangig is en dat er samenhang bestaat tussen de gevorderde provisionele vordering en de hoofdvordering.
Daarnaast geldt het algemene vereiste dat men belang moet hebben bij een vordering, zoals bedoeld in artikel 3:303 BW.
Spoedeisend belang, zoals vereist voor het kort geding, is niet noodzakelijk.
Het karakter van de voorziening brengt wel met zich dat de eiser in het incident een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben dat van hem niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de hoofdzaak afwacht.
Bij een beslissing op de vordering moet het belang van de eiser bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen het belang van de verweerder om de afloop van de procedure af te wachten.
Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval, waaronder de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdzaak, de te verwachten duur van het geding en het eventuele restitutierisico, worden betrokken (vgl. het arrest van 12 november 2019 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, GHSHE:2019:4166).
De vordering in het incident hangt samen met de vordering in de hoofdzaak, nu de vordering van eisers in het incident een voorschot is op een deel van hun vordering in de hoofdzaak.
Volgens eisers is niet in geschil dat in de hoofdzaak ten minste het bedrag van € 21.392,68 moet worden toegewezen, waarbij zij verwijzen naar het bericht van 10 februari 2023 (overgelegd als productie bij de dagvaarding).
Dit is door de executeur gemotiveerd betwist.
Hij voert aan dat dit een bedrag betreft dat in een eerder stadium tegen finale kwijting is aangeboden, maar dat zij daar niet of afwijzend op hebben gereageerd, en dat tussen partijen nooit overeenstemming is bereikt over de (minimale) hoogte van de vorderingen van eisers.
Op grond van de stellingen van partijen hierover bestaat naar het oordeel van de rechtbank nu nog onvoldoende zekerheid of ten minste het bedrag van € 21.392,68 zal worden toegewezen.
Het reeds nu toewijzen van deze incidentele vordering zou niet recht doen aan het proces van partijen, omdat het processuele debat zich nog niet volledig heeft kunnen ontwikkelen.
De verwijzing naar het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 5 januari 2022, RBGEL:2022:25, kan eisers niet baten.
In dat vonnis is overwogen dat een dringend belang bij toewijzing van een vordering in het (223 Rv) incident in de rechtspraak aanwezig wordt geacht wanneer van de verzoeker niet kan worden gevergd dat deze de afloop van de hoofdzaak afwacht, bijvoorbeeld omdat in de hoofdzaak al vaststaat dat (een gedeelte van) het provisioneel gevorderde te zijner tijd in de hoofdzaak zal worden toegewezen.
In de onderhavige zaak is nu echter juist wel in geschil wat de (minimale) hoogte van de vorderingen van eisers is.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevorderde voorlopige voorziening wordt afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.