De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of verrekening van een schuld uit een finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden met een vordering uit onrechtmatige daad mogelijk was.

In de kern draait deze zaak om de vraag of eiser een vordering heeft uit hoofde van het finale verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden op haar dochter (als enig erfgenaam van erflater), welke vordering eiser kan verrekenen met de vordering van de dochter op haar wegens slecht bewind.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Is verrekening mogelijk van een schuld uit een finaal verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden met een vordering uit onrechtmatige daad? Verjaring?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan blijven of eiser een vordering op de dochter heeft uit hoofde van het finale verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden, aangezien de eventuele vordering is verjaard en het beroep van de dochter op de verrekeningsuitsluiting van artikel 6:135 sub b BW slaagt, gelet op het volgende.

Verjaring

De vordering van eiser op de erfgenaam van de erflater is ontstaan en direct opeisbaar geworden bij ontbinding van het huwelijk vanwege het overlijden van erflater op 18 januari 1998.

Vanaf dat moment is ook de verjaringstermijn aangevangen.

Eiser stelt zich op het standpunt dat haar vordering naar analogie als een verdelingsvordering behandeld moet worden, als gevolg waarvan de vordering niet verjaart (vgl. artikel 3:178 lid 1 BW).

Gedaagde voert aan dat de eventuele vordering als een ‘gewone’ verrekeningsvordering kwalificeert, als gevolg waarvan deze verjaart na verloop van vijf jaar (artikel 3:307 lid 1 BW).

De rechtbank is van oordeel dat de eventuele vordering van eiser kwalificeert als een gewone verrekeningsvordering, aangezien het gaat om een verbintenis uit een overeenkomst (de huwelijkse voorwaarden) en niet om een verdeling van een (huwelijks)gemeenschap, die juist is uitgesloten in de huwelijkse voorwaarden.

Zodoende is een eventuele vordering van [eiser] verjaard na vijf jaar na de dag waarop de vordering opeisbaar is geworden.

De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat de verjaring steeds (tijdig) door eiser is gestuit.

Voor zover haar brief aan notaris D van 7 april 1998 als stuitingshandeling zou kunnen worden aangemerkt, dan is vanaf dat moment een nieuwe termijn van vijf jaar gaan lopen en is niet gebleken dat in de vijf jaar vanaf die nieuwe termijn de verjaring (opnieuw) door haar is gestuit.

Vanwege het uitblijven van stuitingshandelingen, is de vordering zodoende al sinds geruime tijd verjaard.

Verrekening

Voor beoordeling van de overige vorderingen van eiser, die gericht zijn op verrekening, geldt dat verjaring van de vordering op zichzelf niet in de weg staat aan de mogelijkheid om te verrekenen (vgl. artikel 6:131 lid 1 BW).

Artikel 6:135 sub b BW bepaalt echter dat een schuldenaar niet bevoegd is tot verrekening indien diens verplichting strekt tot vergoeding van schade die hij opzettelijk heeft toegebracht.

Deze uitsluiting van verrekening geldt voor iedere vorm van schadevergoeding, dus ook voor vorderingen uit hoofde van onrechtmatige daad vanwege het voeren van slecht bewind.

Partijen verschillen van inzicht of de schade opzettelijk door eiser is toegebracht aan de dochter.

Volgens eiser is geen sprake van opzettelijk handelen, aangezien zij uit onwetendheid niet de benodigde toestemming heeft gevraagd van de kantonrechter.

Volgens gedaagde is sprake van (voorwaardelijke) opzet omdat eiser en haar partner bewust hebben gehandeld en er veel geld van de rekening van dochter is afgehaald.

De rechtbank is van oordeel dat uit de overwegingen van de kantonrechter en die van het gerechtshof volgt dat eiser opzettelijk schade heeft toegebracht aan de dochter door slecht curatorschap.

Daarbij hecht de rechtbank doorslaggevend belang toe aan de overwegingen van het hof dat eiser en haar partner, ondanks herhaalde verzoeken, zijn blijven weigeren om rekening en verantwoording af te leggen over de periode dat zij curatoren van de dochter waren.

Op basis hiervan en het feit dat zij structureel gelden hebben onttrokken aan het vermogen van de dochter zonder toestemming van de kantonrechter is eiser opzettelijk tekort geschoten in de nakoming van haar plicht om te handelen zoals van een goed curator mag worden verwacht en heeft zij de dochter opzettelijk schade toegebracht.

Het beroep op artikel 6:135 sub b BW door gedaagde slaagt dan ook, als gevolg waarvan de eventuele vordering van de moeder niet kan worden verrekend met de vordering van de dochter.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.