De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een voorwaardelijk verzoek tot machtiging om alsnog beneficiair te mogen aanvaarden mogelijk was na zuivere aanvaarding van de nalatenschap.

Verzoekster verzoekt de kantonrechter op grond van artikel 4:194a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad haar voorwaardelijk te machtigen om de nalatenschap van erflater beneficiair te aanvaarden, kosten rechtens.

Aan haar verzoek heeft verzoekster het volgende ten grondslag gelegd.

Verzoekster wist dat erflater gehuwd is geweest met verweerster en dat zij 16 jaar geleden gescheiden zijn.

Verzoekster stelt dat zij niet bekend was met de vordering van verweerster op de nalatenschap van erflater en dat zij hier ook niet mee bekend kon zijn.

Erflater heeft daar nooit iets over gezegd.

Verder betwist verzoekster dat er sprake zou zijn van zuivere aanvaarding tussen de overlijdensdatum van erflater (2024 ) en de datum dat zij de nalatenschap van erflater beneficiair heeft aanvaard (30 april 2024).

Verzoekster betwist dat zij in die periode handelingen zou hebben verricht, waarbij zij zich als heer en meester over de goederen van de nalatenschap van erflater heeft gedragen door deze aan het verhaal van de schuldeisers te onttrekken, zoals artikel 4:192 BW vereist.

Verzoekster betwist derhalve dat sprake zou zijn van eerdere zuivere aanvaarding.

Voor de zekerheid doet verzoekster tijdig een voorwaardelijk beroep op artikel 4:194a lid 1 BW, in die zin dat dit verzoek alleen wordt gedaan voor het geval (in rechte) mocht komen vast te staan dat zij toch al eerder zuiver zou hebben aanvaard.

Voor de mogelijkheid van het doen van een voorwaardelijk beroep verwijst verzoekster naar de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2018 (GHARL:2018:2754).

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Is een voorwaardelijk verzoek tot machtiging om alsnog beneficiair te mogen aanvaarden mogelijk na zuivere aanvaarding nalatenschap?

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 4:194a lid 1 BW luidt als volgt:

Een erfgenaam die na zuivere aanvaarding bekend wordt met een schuld van de nalatenschap, die hij niet kende en ook niet behoorde te kennen, wordt, indien hij binnen drie maanden na die ontdekking het verzoek daartoe doet, door de kantonrechter gemachtigd alsnog beneficiair te aanvaarden.”

Allereerst dient te worden beoordeeld of verzoekster tijdig dat wil zeggen binnen drie maanden na de ontdekking van de schuld uit hoofde van de overeenkomst (hierna: de schuld) het verzoek heeft gedaan om zich door de kantonrechter te laten machtigen om de nalatenschap van erflater alsnog beneficiair te aanvaarden.

Vaststaat dat C, als kandidaat-notaris, bij brief van 28 maart 2024 verzoekster op de hoogte heeft gesteld van de schuld.

Gesteld noch gebleken is dat verzoekster al eerder op de hoogte was van de schuld.

Nu verzoekster bij verzoekschrift van 28 juni 2024 het verzoek op grond van artikel 4:194a lid 1 BW heeft gedaan, derhalve binnen drie maanden na de ontdekking van de schuld, is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of een voorwaardelijk beroep op artikel 4:194a lid 1 BW mogelijk is, in die zin dat het verzoek wordt gedaan voor het geval (in rechte) mocht komen vast te staan dat verzoekster al eerder zuiver zou hebben aanvaard.

Naar het oordeel van de kantonrechter is dat niet het geval.

Een verzoek op grond van artikel 4:194a lid 1 BW kan slechts worden gedaan door een erfgenaam die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.

Verzoekster heeft gesteld dat zij de nalatenschap van erflater niet zuiver heeft aanvaard.

Volgens verzoekster heeft zij slechts beheerhandelingen verricht en heeft zij niet over goederen van de nalatenschap van erflater beschikt door deze aan het verhaal van schuldeisers te onttrekken als bedoeld in artikel 4:192 BW.

Bij brief van 18 juni 2024 heeft de gemachtigde van verweerster aan de gemachtigde van verzoekster gevraagd om haar kopieën van bankafschriften over de periode van de overlijdensdatum erflater tot de datum van beneficiaire aanvaarding te verstrekken om te kunnen beoordelen of er sprake is van zuivere aanvaarding.

Bij brief van 25 juli 2024 heeft de gemachtigde van verzoekster aan de gemachtigde van verweerster laten weten dat verweerster geen erfgenaam is, maar een derde (een beweerde schuldeiser) en daarom geen recht heeft op de verzochte bankafschriften.

Aangezien verweerster geen kennis heeft kunnen nemen van de bankafschriften kan zij niet vaststellen dat verzoekster de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard, aldus verweerster.

Verzoekster heeft, onder verwijzing naar de beschikking van het hof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2018, gesteld dat een verzoek op grond van artikel 4:194a lid 1 BW ook voorwaardelijk kan worden gedaan, zie de zinsnede “… dan wel in zijn verzoekschrift zorgvuldiger had verwoord dat de verzoeken alleen werden gedaan voor het geval mocht blijken dat verzoeker toch zuiver zou hebben aanvaard”, aldus verzoekster.

Anders dan verzoekster heeft gesteld, kan uit deze woorden naar het oordeel van de kantonrechter niet worden afgeleid dat een voorwaardelijk beroep op artikel 4:194a lid 1 BW mogelijk is voor het geval (in rechte) mocht komen vast te staan dat zij al zuiver heeft aanvaard.

Het hof overweegt slechts dat de notaris namens verzoeker in die zaak zorgvuldiger had dienen te verwoorden dat de verzoeken alleen werden gedaan voor het geval mocht blijken dat verzoeker toch zuiver zou hebben aanvaard.

Bovendien oordeelt het hof dat verzoeker, nu hij de nalatenschap ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zuiver had aanvaard, niet ontvankelijk had moeten worden verklaard in zijn verzoeken.

Impliciet maakt het hof hiermee duidelijk dat in een procedure zoals deze waarbij de verzoekende erfgenaam niet zelf stelt dat hij de nalatenschap zuiver heeft aanvaard, altijd onderzocht en beoordeeld moet worden of voldaan is aan de eis die het artikel stelt, dat de nalatenschap voordat het verzoek werd ingediend, zuiver is aanvaard.

Nu verzoekster expliciet heeft gesteld dat zij de nalatenschap van erflater niet zuiver heeft aanvaard, verweerster die stelling alleen bij gebrek aan wetenschap heeft betwist en (ter zitting) niet is gebleken van feiten en/of omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat verzoekster de nalatenschap van erflater zuiver heeft aanvaard, moet geoordeeld worden dat van zuivere aanvaarding geen sprake is en daaruit volgt dat verzoekster niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoek.

De vraag of verzoekster de schuld van de nalatenschap van erflater niet kende en ook niet behoorde te kennen, kan gezien het voorafgaande onbesproken blijven.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.