De Rechtbank Noord-Holland heeft op 24 november 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een recht bestond op de inzage of afgifte van bescheiden over de afwikkeling van een nalatenschap.
Gedaagde heeft eiseres bijgestaan in de afwikkeling van de nalatenschap van haar op 22 september 2020 overleden vader.
De eiseres heeft die nalatenschap zuiver aanvaard.
Eiseres voert in de hoofdzaak – samengevat en voor zover in dit incident van belang – het volgende aan.
Gedaagde heeft een beroepsfout gemaakt door haar te adviseren de nalatenschap van haar vader zuiver te aanvaarden.
Daarbij heeft gedaagde namelijk een schuld over het hoofd gezien, bestaande uit de niet uitbetaalde erfdelen van eiseres en haar broer uit de nalatenschap van hun in 2002 overleden moeder.
Rekening houdend met die schuld, blijkt de nalatenschap van vader onvoldoende vermogen te bevatten om de legaten in zijn testament te voldoen.
Door zuiver te aanvaarden is eiseres met haar privévermogen aansprakelijk geworden voor de nakoming van die legaten.
Om de hieruit voortvloeiende schade te beperken heeft zij haar verplichtingen jegens een van de legatarissen bij vaststellingsovereenkomst afgekocht.
In deze procedure wil zij (onder meer) de in dat verband betaalde afkoopsom vergoed zien.
De gedaagde vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
- eiseres veroordeelt tot het verstrekken van een afschrift van de definitieve vermogensopstelling van de afwikkeling van de nalatenschap van de vader van eiseres, althans stukken waaruit de onderbouwing van de definitieve afwikkeling van de nalatenschap van de vader van eiseres volgt;
- een dwangsom verbindt aan het niet voldoen aan het onder 1. gevorderde;
- eiseres veroordeelt in de kosten van dit incident.
De gedaagde legt hieraan – kort gezegd – het volgende aan ten grondslag.
Voordat zij in de hoofdzaak verweer kan voeren, is het voor haar van belang om meer inzicht te krijgen in de schadeberekening van eiseres.
Die schadeberekening is opgesteld aan de hand van slechts een concept aangifte erfbelasting.
Gedaagde beschikt daarmee niet over stukken aan de hand waarvan zij kan concluderen wat het vermogen van de nalatenschap van de vader van eiseres werkelijk is.
Zij heeft een definitieve vermogensopstelling van de afwikkeling van de nalatenschap nodig ter onderbouwing van de door haar in de hoofdzaak te voeren verweren:
-i) dat de nalatenschap van de vader van eiseres niet negatief is en de legaten (deels) konden worden voldaan uit de nalatenschap; en
-ii) dat de door eiseres aangegane vaststellingsovereenkomst haar beweerdelijke schade niet heeft beperkt.
Gedaagde voegt daaraan toe dat zij genoodzaakt was dit incident aanhangig te maken, omdat eiseres desgevraagd heeft geweigerd de opgevraagde bescheiden te verstrekken.
Eiseres voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering met veroordeling van gedaagde in de kosten van de procedure.
Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan.
Zij is niet ingegaan op het eerdere verzoek om de definitieve aangifte te verschaffen, omdat zij klaar was met de vruchteloze pogingen die zij reeds had ondernomen om met gedaagde in gesprek te raken.
Erfrecht. Beroepsfout. Afwikkeling van een nalatenschap. Exhibitieplicht. Voorlopige voorziening. Informatieverstrekking. Inzage in bescheiden. Rechtmatig belang. Toetsing. Proceskosten.
De rechter oordeelt als volgt.
Bij het nu opgeworpen incident bestaat geen rechtmatig belang.
Gedaagde gaat voorbij aan het feit dat de eisende partij de gestelde schade moet onderbouwen.
Dit betekent dat gedaagde de gevorderde gegevens op tafel had kunnen krijgen door in de hoofdzaak een verweer te richten op het gebrek aan onderbouwing van de schade.
Voor de deugdelijkheid van dat verweer is het niet nodig dat gedaagde reeds in dit (voor)stadium over de definitieve aangifte beschikt.
Verder geldt dat eerst werd betoogd dat de stukken nodig waren om een minnelijke regeling in overweging te nemen, terwijl gedaagde nu aangeeft aan de hand van de aangifte te willen beoordelen of het aangaan van de vaststellingsovereenkomst noodzakelijk was.
Wat ook van het voorgaande zij: de definitieve aangifte is inmiddels aan gedaagde verstrekt, maar zij bleek niet bereid de vordering in te trekken.
De rechtbank overweegt als volgt.
Artikel 843a lid 1 Rv verbindt de toewijsbaarheid van een vordering tot afschrift van bescheiden aan vier cumulatieve voorwaarden: de eiser moet een rechtmatig belang hebben bij inzage, het moet gaan om bepaalde bescheiden, die bescheiden moeten zien op een rechtsbetrekking waarin eiser partij is en de wederpartij moet over de bescheiden beschikken.
Uit de door eiseres overgelegde e-mailcorrespondentie blijkt dat de definitieve aangifte erfbelasting op 19 oktober 2021 naar gedaagde is gestuurd en ook door gedaagde is ontvangen.
Het is de rechtbank niet gebleken dat de vordering van gedaagde betrekking heeft op andere informatie dan die aangifte.
Met eiseres is de rechtbank daarom van oordeel dat het feit dat gedaagde de aangifte inmiddels toegestuurd heeft gekregen, maakt dat er geen belang (meer) bestaat bij de vordering tot afschrift.
Deze vordering moet daarom worden afgewezen, net als de daarmee samenhangende dwangsom.
Hoewel de incidentele vordering wordt afgewezen, is de rechtbank van oordeel dat eiseres moet worden veroordeeld in de kosten van het incident.
Zij heeft de definitieve aangifte immers pas verstrekt na het instellen van dit incident door gedaagde, terwijl gedaagde daar al eerder om had verzocht.
Daar komt bij dat de overige door eiseres aangevoerde omstandigheden op zichzelf niet de conclusie kunnen dragen dat gedaagde geen recht zou hebben op een afschrift van de aangifte.
Zo blijkt uit de parlementaire geschiedenis dat een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a Rv ook aanwezig kan zijn als de opgevraagde bescheiden van belang zijn voor het onderbouwen van een verweer.
Dit uitgangspunt is ook in de jurisprudentie aanvaard.
Eiseres heeft daarnaast geen onderbouwing gegeven voor haar stelling dat gedaagde ook zonder de definitieve aangifte een deugdelijk verweer had kunnen voeren.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat gedaagde in haar verzoek voorafgaande aan deze procedure verder dezelfde reden noemt voor het opvragen van de aangifte als in haar incidentele conclusie, namelijk dat zij meer inzicht wenst te krijgen in de schadeberekening van eiseres.
Uit het voorgaande volgt dat eiseres dit incident nodeloos heeft veroorzaakt, zodat zij in de kosten daarvan moet worden veroordeeld.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het recht op informatie in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.