De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 26 april 2023 uitspraak gedaan over een verzoek tot opheffing van een testamentair bewind en de benoeming van een opvolgend bewindvoerder

In 2009 is overleden de heer A , verder te noemen: erflater.

In 2020 is de echtgenote van erflater overleden, mevrouw B,verder te noemen: erflaatster.

Erflater en erflaatster hadden samen twee kinderen: verzoekster en verweerster.

Erflater en erflaatster hebben voor het laatst bij testament over hun nalatenschap beschikt op 22 september 2003.

In beide testamenten staat, voor zover nu van belang, dat erflater en erflaatster elkaar en hun kinderen tot erfgenamen benoemen.

Verweerster ontvangt een legaat.

Daarnaast is in het testament van erflater en erflaatster bepaald dat een levenslang testamentair bewind wordt ingesteld over hetgeen verzoekster uit hun nalatenschap verkrijgt.

Dit bewind is ingesteld in het belang van de rechthebbende.

Erflater en erflaatster hebben elkaar in eerste instantie tot testamentair bewindvoerder benoemd.

Bij het niet aanvaarden van deze benoeming of het eindigen van de hoedanigheid van bewindvoerder, benoemen zij verweerster tot testamentair bewindvoerder.

Verweerster heeft de benoeming tot testamentair bewindvoerder zowel in de nalatenschap van erflater als erflaatster aanvaard.

Verzoek om opheffing testamentair bewind afgewezen. Kan artikel 4:178 lid 2 laatste volzin BW dienen als grondslag voor de benoeming van een opvolgend testamentair bewindvoerder?

Erfrecht. Bewind. Beschermingsbewind. Verzoek opheffing testamentair bewind. Benoeming van een opvolgend bewindvoerder? Is een verantwoord wijze van bestuur mogelijk?

De rechter oordeelt als volgt.

Verzoekster vraagt primair om opheffing van het door erflater en erflaatster ingestelde bewind.

Dit verzoek is gebaseerd op artikel 4:178 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW).

Hierin staat dat een testamentair bewind dat uitsluitend is ingesteld in het belang van rechthebbende, op verzoek van rechthebbende kan worden opgeheven wanneer aan een tweetal voorwaarden wordt voldaan.

Allereerst moet vijf jaar zijn verstreken sinds het overlijden van erflater.

Voorts moet aannemelijk zijn dat rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen.

Deze voorwaarden voor opheffing van het testamentair bewind zijn ook opgenomen in de testamenten van erflater en erflaatster.

De rechtbank moet daarom toetsen of aan deze twee voorwaarden is voldaan.

Erflaatster is overleden in 2020.

Sinds het overlijden van erflaatster is nog niet vijf jaar verstreken.

Omdat al niet aan de eerste voorwaarde voor opheffing is voldaan, zal het verzoek tot opheffing van het door erflaatster ingestelde testamentair bewind worden afgewezen.

Erflater is overleden in 2009.

Sinds het overlijden van erflater is inmiddels vijf jaar verstreken.

Het door erflater ingestelde testamentair bewind komt daarom voor opheffing in aanmerking, indien ook aan de tweede voorwaarde wordt voldaan.

Tussen partijen is in geschil of aan de tweede voorwaarde, dat aannemelijk is dat rechthebbende de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen, wordt voldaan.

Verzoekster stelt dat dit het geval is.

Dit zou onder meer blijken uit een overgelegd medisch rapport betreffende de medische geschiktheid van verzoekster.

Dit betreft een bericht van de geriater aan de huisarts, waarin verslag wordt gedaan van de uitslagen van een neuropsychologisch onderzoek.

De conclusie van het neuropsychologisch onderzoek luidt – kortgezegd – dat er sprake is van milde executieve beperkingen.

Verweersters zijn daarentegen van mening dat verzoekster de onder bewind staande goederen niet zelf op verantwoorde wijze kan besturen.

Verzoekster kampt al van jongs af aan met gedragsproblematiek, verslavingsproblematiek en vermoedelijke persoonlijkheidsstoornissen, waardoor zij niet in staat was, is of zal zijn om zelfstandig haar financiën te beheren.

Verweerster heeft dit onderbouwd met een verklaring van haarzelf en haar halfbroer.

Daarnaast moet de keuze voor testamentair bewind van erflater en erflaatster serieus worden genomen.

Erflaatster en erflaatster konden als ouders van verzoekster bij uitstek beoordelen of testamentair bewind nodig is.

Tot slot doet het medisch rapport dat verzoekster heeft overgelegd niet ter zake.

Het betreft een eenmalige, globale inschatting van het algemeen cognitief functioneren van verzoekster.

Het rapport zegt bovendien niets over de eerder genoemde problematiek, die voor erflater en erflaatster reden is geweest voor de instelling van het testamentair bewind.

Er kunnen op basis van het rapport in ieder geval geen conclusies worden getrokken over de geschiktheid van verzoekster om zelf op verantwoorde wijze de onder bewind staande goederen te besturen.

De rechtbank is van oordeel dat verzoekster – mede in het licht van het gevoerde verweer – onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de onder bewind staande goederen zelf op verantwoorde wijze zal kunnen besturen.

Het door verzoekster overgelegde medische rapport kan die conclusie niet zonder meer dragen. Het betreft een momentopname en schetst slechts een algemeen beeld van het cognitief functioneren van verzoekster.

Zonder verdere context of toelichting is deze informatie niet van doorslaggevende betekenis voor de beoordeling van het verzoek.

Het verzoek tot opheffing van het door erflater ingestelde testamentair bewind zal daarom ook worden afgewezen.

Benoeming van een opvolgend bewindvoerder?

Verzoekster vraagt de rechtbank subsidiair bewindvoerder D tot opvolgend bewindvoerder te benoemen.

Daarvoor vraagt zij de rechtbank – kortgezegd – om de regels van het testamentair bewind te wijzigen, zodat in plaats van verweerster een opvolgend bewindvoerder kan worden benoemd.

Ter onderbouwing stelt verzoekster dat het onwenselijk is dat verweerster de rol van testamentair bewindvoerder vervult, omdat verzoekster en verweerster verwikkeld zijn in een juridisch geschil over de omvang van de nalatenschappen van hun ouders.

Verder zou verweerster als testamentair bewindvoerder geen informatie vertrekken of rekening en verantwoording afleggen aan verzoekster.

Ter zitting is ook aan de orde gekomen dat de samenwerking tussen de testamentair bewindvoerder en rechthebbende stroef verloopt, terwijl een goede samenwerking nodig is voor de uitvoering van het testamentair bewind.

De rechtbank heeft het subsidiaire verzoek opgevat als een verzoek in de zin van artikel 4:178 lid 2 laatste volzin BW.

Hierin is bepaald dat de rechtbank bij afwijzing van een verzoek tot opheffing van een testamentair bewind dat uitsluitend is ingesteld in het belang van rechthebbende, des verzocht de regels van het bewind kan wijzigen.

Dit artikel voorziet blijkens voorbeelden uit de literatuur in de situatie dat rechthebbende nog niet geheel zelfstandig de onder bewind staande goederen kan besturen, maar er wel aanleiding is om de bevoegdheden van rechthebbende uit te breiden (Asser/Perrick 2021/762 en T.J. Mellema-Kranenburg, Executele en bewind (Mon. BW nr. B21b) 2016/44.3).

Met deze voorbeelden in het achterhoofd is de rechtbank van oordeel dat deze bepaling niet zover strekt, dat het als grondslag kan dienen voor de benoeming van een opvolgend bewindvoerder.

De rechtbank zal het verzoek tot benoeming van een opvolgend bewindvoerder afwijzen

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.