De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 19 april 2023 uitspraak gedaan over een schenkingsverbod in een tweetrapsmaking in een testament.  

De erfgenamen voeren aan dat de namens erflater na het overlijden van vader in de periode 2002 tot 2019 aan eiseres gedane schenkingen van in totaal € 8.250.000,00 ten laste van het bezwaarde vermogen zijn gedaan.

Volgens eiseres zijn de schenkingen (onder meer) gedaan ten laste van het eigen vermogen van erflater.

Eiseres in wijst erop dat in het testament van vader is bepaald dat erflater niet bij wijze van schenking over het fideï-commissair vermogen mag beschikken.

Eiseres vordert bij vonnis voor recht te verklaren dat de erfgenamen onrechtmatig hebben gehandeld jegens eiseres en te verklaren dat de erfgenamen aansprakelijk zijn voor de dientengevolge door eiseres geleden schade.

Erfrecht. Tweetrapsmaking in testament. Fideï commis. Schenkingsverbod. Vermindering van het bezwaard vermogen? Onrechtmatige daad? Stelplicht en bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling gelden de volgende uitgangspunten.

Vastgesteld moet worden welke goederen eiseres als verwachter krijgt.

Hiertoe is van belang welke goederen bij aanvang tot het fideï-commis behoorden.

De verwachter die op de voet van artikel 3:215 lid 1 BW afgifte vordert van de goederen die tot het fideï-commissaire vermogen behoren, zal moeten stellen en bij betwisting moeten bewijzen dat hij recht heeft op afgifte van die goederen.

Vervolgens is van belang vast te stellen om welke goederen het gaat.

De verwachter beroept zich erop dat de bezwaarde bepaalde goederen aan hem moet afgeven, namelijk de goederen van de fideï-commissaire nalatenschap.

Ingevolge artikel 150 Rv moet de verwachter stellen en bewijzen welke goederen dat zijn en hoe de fideï-commissaire nalatenschap is samengesteld.

Indien de samenstelling van het fideï-commissaire vermogen bij het begin vaststaat, dient te worden vastgesteld wat het fideï-commissaire vermogen bij het einde is en welke goederen aan de verwachter moeten worden afgegeven.

Op grond van artikel 3:215 lid 1 BW kan de verwachter aanspraak maken op alle goederen die er in het begin waren en hetgeen daarvoor door zaaksvervanging in de plaats is getreden.

De bezwaarde moet vervolgens stellen en bewijzen dat goederen zijn verteerd of door toeval teniet zijn gegaan en dat bij vervreemding van goederen geen zaaksvervanging heeft plaatsgevonden.

De rechter oordeelt verder als volgt.

Het ligt op de weg van de erfgenamen om hun stelling feitelijk te onderbouwen.

In het testament van vader is immers bepaald dat het bewijs van vervreemding en/of vertering van tot het fideï-commissair vermogen behorende zaken bij het einde van het bezwaar rust op de bezwaarde of degene die voor haar optreedt.

Ter onderbouwing verwijzen de erfgenamen onder meer naar de motivering van de schenkingsverzoeken door hen overgelegd als producties.

Vaststaat dat in het schenkingsverzoek van 15 oktober 2002 aan de kantonrechter als motivering is vermeld ‘(vader) heeft bepaald dat de erfrechtelijke verkrijging van mevrouw (erflater) bij haar overlijden overgaat op S.’

Verder wordt door Ernst & Young bij brief van 14 maart 2006 opnieuw aan de kantonrechter toestemming gevraagd voor een jaarlijkse periodieke schenking en wordt voor de onderbouwing onder meer verwezen naar het schenkingsverzoek van 15 oktober 2002 en wordt nog opgemerkt ‘Bovendien is bepaald dat het vermogen bij overlijden (deels) toekomt aan S.’

Dat schenkingsverzoeken worden onderbouwd met de omstandigheid dat vader heeft bepaald dat de erfrechtelijke verkrijging van erflater bij haar overlijden overgaat op eiseres, wijst er op dat de schenkingen in mindering strekken op het bezwaarde vermogen.

Vader kon immers slechts over zijn eigen vermogen beschikken en niet over het eigen vermogen van erflater.

Zoals eiseres zelf op de mondelinge behandeling stelt was het de bedoeling van de ouders dat al hetgeen erflater uit hun nalatenschappen zou verkrijgen en alle revenuen daarover en/of alle goederen die daarvoor in de plaats kwamen, onder het fideï-commis vielen en na het overlijden van erflater zou toekomen aan eiseres.

Het eigen vermogen van erflater valt daarbuiten.

Dat er in het testament van vader een schenkingsverbod is opgenomen is geen reden anders te oordelen.

Het schenkingsverbod is ook geen reden geweest om geen schenkingen namens erflater te doen van het bezwaarde vermogen.

Eiseres stelt zelf dat de schenkingen aan eiseres in ruime mate het vermogen van erflater uit de nalatenschap van moeder en de schenkingen van vader overtreffen en dus ook ten laste zijn gegaan van het bezwaarde vermogen afkomstig uit de nalatenschap van vader.

Door de erfgenamen is dan ook voldoende feitelijk onderbouwd, en door eiseres onvoldoende gemotiveerd weersproken, dat het bezwaarde vermogen is verminderd door de schenkingen die na het overlijden van vader aan eiseres zijn gedaan.

Dit betekent verder dat het eigen vermogen van erflater niet is verminderd door de schenkingen die na het overlijden van vader aan eiseres zijn gedaan.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.