De Rechtbank Den Haag heeft op 26 mei 2021 uitspraak gedaan over de uitleg van het begrip servicekosten in een testament, dat was opgenomen in een legaat van gebruik en bewoning.
Gedaagde heeft gedurende twintig jaar een affectieve relatie gehad met de vader van eisers, de erflater.
Erflater is op 23 januari 2019 overleden.
Gedaagde en erflater hadden een samenlevingsovereenkomst gesloten, waarin iedere gemeenschap van goederen was uitgesloten.
In zijn testament heeft erflater eisers als erfgenamen benoemd.
Aan gedaagde heeft hij twee legaten nagelaten: een recht van vruchtgebruik op twee appartementen en het recht van gebruik en bewoning van een appartement.
Bij akte van 18 juni 2020 is het recht van vruchtgebruik gevestigd en het recht van gebruik en bewoning bevestigd.
Voor de rechtbank is op basis van de overgelegde stukken voldoende duidelijk dat de erfenis van erflater is afgewikkeld en dat eisers derhalve bevoegd zijn de vorderingen tegen gedaagde in te dienen.
Erfrecht. Uitleg van een testament. Uitleg van het begrip servicekosten in het testament, opgenomen in een legaat van gebruik en bewoning. VVE. Onroerend zaakbelasting. Vruchtgebruik.
De rechter oordeelt als volgt.
Ten aanzien van de woning verschillen partijen nog van mening over het antwoord op de vraag wie welk gedeelte van de VvE-bijdragen moet betalen en wie de onroerend zaakbelasting.
onroerend zaakbelasting
De onroerend zaakbelasting moet gedaagde betalen.
In het testament is bepaald dat titel 8 van boek 3 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is op het recht van gebruik en bewoning van de woning.
Dit betekent dat op grond van artikel 3:226 BW in samenhang met artikel 3:220 BW gewone lasten en herstellingen voor rekening van gedaagde komen.
De onroerend zaakbelasting is een gewone last als bedoeld in artikel 3:220 BW.
Ook de gemeente belast degene met het recht van gebruik en bewoning met de onroerend zaakbelasting, zoals onder meer blijkt uit de omstandigheid dat voor het jaar 2021 gedaagde is aangeslagen voor deze belasting.
Gedaagde verwijst nog naar een uitspraak van de Hoge Raad (HR:2005:AT3486).
Dit arrest betrof echter een recht van gebruik en bewoning waarbij de overeengekomen verdeling van onderhoudsplichten in grote lijnen overeenkwam met de (wettelijke) regeling van de onderhouds- en reparatieverplichtingen van de verhuurder en de huurder.
Een dergelijke regeling is niet in het testament opgenomen.
Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit punt bij de regels inzake huur aan te sluiten.
VvE-bijdragen
In het testament is bepaald dat gedaagde, als aanvulling op en in afwijking van het verklaarde in titel 8 boek 3 BW, de servicekosten moet betalen.
Tussen partijen is niet in geschil dat deze zin betrekking heeft op de VvE-bijdrage.
Wel verschillen zij van mening over wat erflater hiermee heeft bedoeld.
Aldus moet deze zin in het testament worden uitgelegd.
Ingevolge artikel 4:46 lid 1 BW dient bij de uitleg van een testament te worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is opgemaakt.
Gedaagde stelt primair dat het testament zo moet worden uitgelegd dat zij helemaal geen kosten voor de VvE hoeft te betalen.
Dit standpunt volgt de rechtbank niet.
De woorden van het testament zijn duidelijk en niet zonder betekenis.
Dit was anders in de uitspraak van de Hoge Raad waarnaar de advocaat van gedaagde heeft verwezen.
Deze uitspraak betrof een testament waarbij de notaris een fout had gemaakt bij het opschrijven van artikelen die moesten worden uitgesloten.
De wel opgeschreven artikelen hadden geen betekenis en daarom moest het testament worden uitgelegd.
Dit geldt echter niet voor de zinsnede dat gedaagde de servicekosten van de woning voor haar rekening moet nemen: deze passage heeft wel betekenis.
De rechtbank sluit niet uit dat erflater voor zijn overlijden aan de zoon van gedaagde en aan vrienden heeft gezegd dat zijn kinderen de kosten voor de woning moeten betalen of dat gedaagde geen VvE-kosten hoeft te betalen, maar in het testament heeft hij opgenomen dat ze de servicekosten voor haar rekening moet nemen.
Artikel 4:46 lid 2 BW bepaalt dat daden of verklaringen van de erflater buiten het testament slechts dan voor uitleg van een testament mogen worden gebruikt indien het testament zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
Daar is voor wat betreft de vraag of gedaagde in ieder geval een deel van de VvE-bijdragen moet betalen geen sprake van.
De rechtbank kan de zin inzake de servicekosten dan ook niet uit het testament wegredeneren.
Dit te minder omdat erflater in een eerder concept van een testament wel had opgenomen dat de eigenaar en daarmee eisers de gewone lasten, het gewone onderhoud en de gewone herstellingen voor hun rekening moesten nemen, maar die passage dus heeft veranderd.
De zin blijft dus staan. Het is echter niet meteen duidelijk wat erflater heeft bedoeld met de term servicekosten.
In veel VvE’s wordt met de term servicekosten de gehele bijdrage aan de VvE bedoeld.
Dit lijkt, gelet op de stukken die zijn overgelegd, ook het geval te zijn geweest bij de VvE waartoe de woning behoort.
Er zijn echter ook VvE’s die een onderscheid maken tussen servicekosten, exploitatiekosten en onderhoudskosten.
De VvE waartoe de appartementen in behoren en die bij zijn leven eigendom van erflater waren, maakte kennelijk tot voor kort ook dit onderscheid.
Gedaagde stelt dat, als zij al een deel van de VvE-bijdrage moet betalen, zij alleen de VvE-bijdrage verschuldigd is die de echte servicekosten betreft maar niet de bijdrage die de exploitatiekosten betreft en niet de bijdrage aan het reservefonds.
Die kosten komen volgens haar voor rekening van eisers.
Eisers vinden dat gedaagde de gehele VvE-bijdrage moet betalen.
Zij hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij op grond van het testament en de daarin opgenomen verwijzing naar artikel 3:220 BW alleen aansprakelijk zijn voor de buitengewone herstellingen aan de woning en de buitengewone herstellingen via de VvE.
De jaarlijkse VvE-bijdragen betreffen niet de kosten voor dergelijke buitengewone herstellingen, die komen namelijk amper voor.
Bovendien vinden eisers dat zij, zo de VvE-bijdragen al bijdragen zijn voor buitengewone herstellingen, de kosten hiervoor niet hoeven voor te financieren.
Pas bij het einde van het recht van gebruik en bewoning kunnen deze kosten voor buitengewone herstellingen op hen worden verhaald, zoals bepaald in artikel 5:123 BW.
De rechtbank stelt voorop dat het legaat kennelijk ten doel heeft uitvoering te geven aan een verzorgingsgedachte.
Erflater heeft gedaagde immers met de legaten willen voorzien van een woning om in te wonen en van inkomen.
Ook de door gedaagde overgelegde verklaringen wijzen hierop.
Erflater heeft tegenover de zoon van gedaagde en tegenover in ieder geval twee bekenden gezegd dat gedaagde in het appartement moet kunnen blijven wonen zo lang ze wil.
Erflater wist op het moment dat hij zijn testament opstelde ook dat gedaagde geen ruim pensioen had waarvan zij haar kosten en uitgaven kon financieren.
De door eisers en gedaagde overgelegde verklaringen spreken elkaar over en weer tegen: enerzijds helemaal geen kosten voor eisers en anderzijds geen VvE-kosten voor gedaagde.
De overgelegde verklaring van de notaris biedt de rechtbank onvoldoende duidelijkheid.
De notaris heeft verklaard dat erflater niet wilde dat zijn kinderen kosten zouden hebben ten aanzien van de woning, maar dit verklaart niet waarom erflater dan niet in zijn testament heeft bepaald dat alle lasten en herstellingen voor rekening komen van gedaagde, zoals hij wel heeft bepaald voor de appartementen.
Het oude recht bepaalde voor wat betreft het vruchtgebruik dat grove reparaties ten laste van de hoofdgerechtigde kwamen.
Artikel 841 BW (oud) bepaalde dat het dan ging om reparaties aan zware muren en gewelven, van herstelling van balken en gehele daken enzovoort.
Deze laatste bepaling is in het nieuwe BW niet opgenomen.
In de Parlementaire Geschiedenis bij boek 3 is daarover gezegd dat het huidige recht geen maatstaf geeft voor het onderscheid tussen gewone en buitengewone reparaties, omdat de beslissing te dier zake te veel afhangt van bijzondere omstandigheden.
De begroting van de VvE van de woning voor 2019 bevat een aantal posten waaronder onderhoud voor een bedrag van € 24.154 en dotatie reservefonds voor een bedrag van € 21.047.
Dit is het reservefonds als bedoeld in artikel 5:126 lid 1 BW: dit artikel bepaalt dat een VvE een reservefonds in stand moet houden voor de bestrijding van andere dan de gewone jaarlijkse kosten.
De rechtbank is, alles afwegende, van oordeel dat het testament in redelijkheid zo moet worden uitgelegd, dat erflater heeft bedoeld dat eisers de doteringen aan het reservefonds voor hun rekening moeten nemen en gedaagde de overige VvE-bijdragen, waaronder die voor onderhoud.
Dit oordeel baseert zij op:
(i) de verzorgingsgedachte in het testament zoals toegelicht onder 3.12.;
(ii) de omstandigheid dat gedaagde tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat ze mogelijk niet in de woning kan blijven wonen als zij de gehele VvE-bijdrage moet betalen;
(iii) de omstandigheid dat erflater in het testament heeft opgenomen en daarmee heeft gewild dat gedaagde in ieder geval een deel van de kosten van de VvE voor haar rekening moet nemen;
(iv) de omstandigheid dat erflater in een eerder testament had bepaald dat alle gewone lasten, gewoon onderhoud en gewone herstellingen voor eisers kwamen, maar dit heeft gewijzigd in de bepaling dat gedaagde de servicekosten moet betalen: hieruit kan worden afgeleid dat erflater wilde dat gedaagde de gewone lasten, gewoon onderhoud en gewone herstellingen betaalt;
(v) de omstandigheid dat de meest gangbare uitleg van het begrip servicekosten is dat dit niet beperkt moet worden uitgelegd;
(vi) de ruimte die artikel 3:220 BW op basis van de parlementaire geschiedenis biedt om, op basis van de bijzondere omstandigheden, vast te stellen wat de buitengewone lasten en de buitengewone herstellingen zijn die voor rekening van de hoofdgerechtigde komen;
(vii) de omschrijving van het reservefonds in de wet, namelijk dat het betreft andere dan de gewone jaarlijkse kosten.
Bij dit oordeel weegt de rechtbank ook nog het volgende mee.
Aan het recht van gebruik en bewoning komt een eind als gedaagde hiervan niet langer gebruik kan of wil maken.
In dat geval profiteren eisers als eigenaar van het alsdan opgebouwde reservefonds.
Mede gelet op de omstandigheid dat de woning pas eind 2018 is opgeleverd, is de kans reëel dat op dat moment nog weinig tot geen uitgaven uit het reservefonds betaald zullen zijn, zodat dit fonds aan eisers ten goede zal komen.
De rechtbank realiseert zich dat dit betekent dat eisers, anders dan is bepaald in artikel 3:220 BW, al gedurende het recht van gebruik en bewoning kosten voor hun rekening dienen te nemen voor de woning.
Zij is niettemin van oordeel dat dit is wat erflater gewild moet hebben.
Als erflater alleen toepassing van artikel 3:220 BW had gewild, had hij de zin inzake de servicekosten niet hoeven opnemen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het recht van gebruik en bewoning in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.