De Rechtbank Rotterdam heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over het recht op informatie ter berekening van een legaat ter grootte van de legitieme.
Van belang is dat eiseres de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard.
Vanwege de beneficiaire aanvaarding dient de nalatenschap overeenkomstig de wettelijke voorschriften van afdeling 3, titel 6 Boek 4 BW (vereffening van de nalatenschap) te worden afgewikkeld.
De verplichting tot vereffening strekt tot bescherming van de schuldeisers van de nalatenschap.
De eiseres is, als enig erfgenaam, belast met de vereffening.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding om eerst de vorderingen in reconventie te behandelen en daarna de vorderingen in conventie.
Nu al deze vorderingen betrekking hebben op de beoogde spoedige afwikkeling van de nalatenschap en inherent daaraan de positie en vorderingsrechten van beide partijen daarin is de spoedeisendheid in voldoende mate gegeven.
Erfrecht. Kort geding. Beneficiaire aanvaarding. Vereffening. Geldlegaat gelijk aan de legitieme. Recht op informatie. Enig erfgenaam is vereffenaar. Tegenstrijdig belang.
De rechter oordeelt als volgt.
Gedaagde maakt aanspraak op het bij testament aan haar toegekende geldlegaat ter grootte van de legitieme portie.
In verband met de voortgang in de vaststelling van – in feite – haar legitimaire vordering vraagt gedaagde primair en subsidiair benoeming van een professionele vereffenaar van de nalatenschap.
Daartoe kan gedaagde aan de rechtbank, en niet aan de voorzieningenrechter, een verzoek doen op de voet van artikel 4:203 lid 1 BW.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om op die verzoekschriftprocedure vooruit te lopen dan wel verweerster te veroordelen om een dergelijke procedure te starten, zoals subsidiair is gevorderd.
De primaire en subsidiaire vorderingen worden daarom afgewezen.
Gedaagde vraagt in haar positie van legataris/legitimaris ingevolge artikel 4:78 BW te worden voorzien van bescheiden en inlichtingen die zij, ter uitvoering van het legaat, voor de berekening van haar legitieme portie nodig heeft.
De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat vereffening niet aan de toepasselijkheid van artikel 4:78 lid 1 BW in de weg hoeft te staan, omdat de wettelijke bepalingen inzake de legitieme portie ook bij vereffening aan de orde kunnen zijn en de wetgever artikel 4:78 lid 1 BW ingeval van vereffening niet buiten toepassing heeft verklaard.
Artikel 4:78 lid 1 BW is in het leven geroepen om de positie te versterken van de legitimaris die niet erfgenaam is.
Bij die versterking heeft een legitimaris ook belang ingeval van vereffening.
Het hiervoor al aangehaalde belang van de legitimaris als bijzondere nalatenschapsschuldeiser bestaat eruit dat hij/zij een reële en objectieve vaststelling van de waarde van alle nalatenschapsgoederen moet kunnen maken.
Voor de legitimaris is het (daarom) relevant om inzage en afschrift van de uiterste wilsbeschikking(en) van de erflater te krijgen en inzage en afschrift van alle akten, stukken en andere administratieve bescheiden, die een rol kunnen spelen in de waarde vaststelling van de (al of niet aan een bedrijf dienstbare) nalatenschapsgoederen, ofwel van belang kunnen zijn voor het opsporen van de inkortbare giften.
In dit geval heeft erflaatster alleen verweerster tot enige en algehele erfgenaam benoemd.
Verweerster is in die hoedanigheid terstond na het overlijden van erflaatster van rechtswege enig eigenaar van alle nalatenschapsgoederen geworden, met inbegrip van alle daartoe behorende bewijsstukken en administratieve gegevens.
Zij mag over deze nalatenschapsgoederen en bescheiden als erfgenaameigenaar naar goeddunken beschikken, tenzij de wet anders bepaalt.
Relevant om in de rechtsverhouding tussen partijen te constateren is dat verweerster als erfgenaam een tegenstrijdig belang heeft met gedaagde als nalatenschapsschuldeiser ter zake van sommen ineens/de legitieme portie.
Het belang van een nalatenschapsschuldeiser is immers een zo hoog mogelijke waardering van de nalatenschapsgoederen, terwijl het belang van de erfgenaam, o.a. gelet op de verschuldigde successierechten, een zo laag mogelijke waardering van de nalatenschapsgoederen meebrengt.
De belangen van verweerster en gedaagde zijn dus tegengesteld.
Dit maakt dat gedaagde als legitimaris te meer recht en belang heeft om zelf te kunnen beschikken over de administratieve gegevens die nodig zijn voor de berekening van haar legitieme portie en voor objectieve vaststelling van haar vordering tegenover de erfgenaam.
Gedaagde vraagt in de eerste plaats om afgifte van ‘alle stukken’ die zij o.a. nodig heeft voor de berekening van de legitieme portie.
Dat is ruim geformuleerd.
Specificatie is op zijn plaats en daartoe is gedaagde ook overgegaan.
Zij vraagt meer specifiek om (onder meer) een volledig afschrift van het testament, bankrekeningafschriften, taxatierapporten en (akten van) schenking die erflaatster tijdens leven heeft gedaan.
Verder, zo begrijpt de voorzieningenrechter de gedaagde, vraagt zij om een met verifieerbare stukken onderbouwde boedelbeschrijving.
Zij betwist de juistheid en volledigheid van de door verweerster in dat kader als producties overgelegde documenten.
Bovendien betwist zij dat de afwikkeling van de nalatenschap van erflater heeft plaatsgevonden op de wijze zoals verweerster stelt, wat invloed heeft op de nalatenschap van erflaatster.
Ook met betrekking daarop verlangt gedaagde informatie.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat gedaagde, in het licht van overwegingen, in elk geval belang heeft bij de afgifte van een volledig afschrift van het testament en van bewijzen van schenkingen die erflaatster tijdens leven heeft gedaan.
Die stukken kunnen informatie bevatten die nodig is om de omvang van de legitieme portie te berekenen.
Verweerster heeft gesteld dat zij aan gedaagde reeds bankafschriften over de periode van 2012 tot en met 17 mei 2021 heeft verstrekt.
Dat heeft gedaagde niet betwist.
Verder geldt dat gedaagde, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, als legitimaris geen genoegen hoeft te nemen met een door verweerster als erfgenaam zelf opgestelde boedelbeschrijving.
Erop gelet dat de grens van het recht op informatie daar ligt waar de verlangde informatie niet nodig is om de omvang van de legitieme portie te berekenen wordt verweerster veroordeeld om tevens de volgende bescheiden aan gedaagde af te geven:
– de onderbouwende bescheiden van de als productie 9 bij dagvaarding overgelegde financiële opstelling.
– de waardering (in de vorm van een taxatierapport) door een beëdigd taxateur van de Onroerende Zaak en van de inboedel en lijfsieraden;
– informatie over de wijze van afrekening van de nalatenschap van de erflater en de onderbouwende bescheiden voor de cijfermatige afrekening van die nalatenschap.
Gedaagde heeft de afgifte en inzage gevorderd op straffe van een dwangsom.
De voorzieningenrechter ziet aanleiding aan de veroordeling een dwangsom te verbinden.
De dwangsom wordt op een bedrag van € 250,00 per dag gesteld tot een maximum van € 50.000,00.
Verweerster wordt een termijn van 30 dagen na de dag van de betekening van dit vonnis gegeven om de bescheiden en informatie te verzamelen en aan de advocaat van gedaagde te verstrekken.
Verweerster stelt dat ze een zo hoog mogelijke opbrengst van de Onroerende Zaak wil verkrijgen.
In verband met de doorlopende lasten van de Onroerende Zaak heeft verweerster er baat bij om zo spoedig mogelijk over te gaan tot voormelde inzage en afgifte.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.