De Advocaat-Generaal bij Parket bij de Hoge Raad heeft enige tijd geleden de totstandkoming van een deskundigenbericht in het burgerlijke procesrecht besproken.
Het onderdeel klaagt dat het hof de met betrekking tot een deskundigenbericht geldende wettelijke maatstaven heeft miskend, althans dat het oordeel onbegrijpelijk is. Het onderdeel stelt dat de gang van zaken rond het deskundigenbericht niet juist is geweest.
Erfrecht. Procesrecht. Totstandkoming deskundigenbericht. Gelegenheid tot het maken van opmerkingen. Waardering. Toetsing.
De A-G concludeert als volgt.
Art. 198 lid 2 Rv bepaalt het volgende:
“De deskundigen stellen hun onderzoek in, hetzij onder leiding van de rechter, hetzij zelfstandig. De deskundigen moeten bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen. Uit het schriftelijke bericht moet blijken of aan dit voorschrift is voldaan. Van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken wordt in het schriftelijke bericht melding gemaakt. Indien een partij schriftelijke opmerkingen of verzoeken aan de deskundigen doet toekomen, verstrekt zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij.”
In Nederlandse lagere rechtspraak is het gebruikelijk om uit dit voorschrift af te leiden dat partijen bij de deskundige mogen reageren op het deskundigenadvies.
In de Leidraad deskundigen in civiele zaken staat daarover het volgende:
“Partijen hebben er volgens de wet recht op bij uw onderzoek opmerkingen en verzoeken aan u te doen toekomen. U behoort in het deskundigenbericht te vermelden dat u aan partijen hiertoe gelegenheid heeft gegeven. Als van de gelegenheid gebruik is gemaakt, behoort u de inhoud van de opmerkingen en verzoeken in het deskundigenbericht te vermelden. Deze wettelijke eisen hangen samen met het beginsel van hoor en wederhoor. Worden deze eisen niet nageleefd, dan kan dat negatieve gevolgen hebben voor de bruikbaarheid van het deskundigenbericht in het vervolg van de zaak. Niet naleving van deze eisen kan er ook toe leiden dat de rechter na ontvangst van het rapport bij u terugkomt met het verzoek partijen alsnog gelegenheid te geven tot het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken en naar aanleiding daarvan aanvullend te rapporteren.
Als de rechter in de uitspraak heeft bepaald dat u het onderzoek zelfstandig verricht, let u op het volgende.
U wordt verzocht als volgt te werk te gaan bij het bieden van gelegenheid tot het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken. U doet onderzoek en schijft het rapport. Het rapport bevat uw volledige onderzoeksbevindingen, dus niet alleen het verslag van het onderzoek, maar ook uw antwoorden op de vragen van de rechter. U zendt het rapport toe aan partijen en schrijft in een begeleidende brief dat zij gelegenheid hebben opmerkingen en verzoeken aan u te doen toekomen binnen een door u genoemde termijn. Dit rapport wordt in deze Leidraad ook wel concept-rapport genoemd. Het ‘concept’-aspect houdt slechts in dat uw rapport pas definitief is nadat u aan partijen gelegenheid heeft gegeven voor het maken van opmerkingen en het doen van verzoeken en u deze heeft verwerkt. U hecht de vervolgens ontvangen opmerkingen en verzoeken in kopie als bijlage aan het deskundigenbericht. U heeft de keuze uit twee methoden voor de wijze waarop u reageert op de opmerkingen en verzoeken: u hecht aan het rapport een bijlage waarin u reageert op de opmerkingen en verzoeken, of u verwerkt uw reactie op de opmerkingen en verzoeken in uw rapport. Het rapport met bijlage(n) vormt het definitieve rapport, dat u toezendt aan het gerecht.
Het feit dat u het volledige rapport, dus inclusief de antwoorden op de vragen, doet toekomen aan partijen en zij vervolgens opmerkingen en verzoeken aan u mogen zenden, betekent niet dat partijen gelegenheid krijgen om u te overtuigen van de juistheid van hun standpunt. Niet u, maar de rechter zal door partijen na ontvangst van uw deskundigenbericht overtuigd moeten worden.
Wat u doet met de opmerkingen en verzoeken van partijen hangt onder andere af van de inhoud van de opmerkingen en verzoeken. U behoort te reageren op opmerkingen en verzoeken die vallen binnen het kader van de door de rechter gestelde vragen. Dat kan door daarop inhoudelijk te reageren, maar soms kunt u misschien volstaan met verwijzing naar een passage in het rapport waarmee volgens u op de opmerking of het verzoek al adequaat is ingegaan. Dat vereist wel nauwkeurige aanduiding van die passage.
Op opmerkingen en verzoeken die niet binnen de door de rechter gestelde vragen zijn te brengen, hoeft u niet te reageren. In het deskundigenbericht of in de bijlage, dient u te vermelden op welke opmerkingen en verzoeken u niet reageert en waarom.
Naarmate u partijen meer inspraak heeft gegeven aan het begin van of tijdens het onderzoek in de inrichting van het onderzoek, zult u aan verzoeken die u ontvangt na uw concept-deskundigenbericht en die ook eerder hadden kunnen worden gedaan, minder snel gehoor hoeven te geven.
Op grond van het procesrecht behoeft u partijen in beginsel geen gelegenheid te geven te reageren op elkaars opmerkingen en verzoeken en evenmin om te reageren op de wijze waarop u de opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van uw concept-rapport verwerkt, voordat u het rapport aan het gerecht zendt. Voor een en ander hebben partijen namelijk gelegenheid in het vervolg van de procedure bij de rechter. Het is denkbaar dat de normen van uw beroepsgroep u in een zaak wel aanleiding geven tot deze uitbreidingen.”
De strekking van de in art. 198 lid 2 Rv neergelegde voorschriften is het bevorderen van een goede procesorde.
De Groot schrijft over de vraag of partijen bij de deskundige op het deskundigenadvies mogen reageren, het volgende:
“Naar mijn opvatting moet de vraag of partijen bij de deskundige op het deskundigenadvies mogen reageren, niet meer uitsluitend worden beantwoord vanuit de historische achtergronden van het voorschrift over opmerkingen en verzoeken, of het belang van de onderzoeksvrijheid van een deskundige. In het bredere verband van de belangenafweging met behulp waarvan de betekenis van het beginsel van hoor en wederhoor in het deskundigenonderzoek moet worden bepaald, gaat het er ook om of partijen het deskundigenadvies kunnen controleren en er bij de rechter effectief commentaar op kunnen leveren, en of het deskundigenadvies een optimale bijdrage levert aan een zo waarheidsgetrouw mogelijke beslissing van de zaak. Van belang is hierbij of het een deskundigenonderzoek betreft waarvan de resultaten normatieve invloed zullen hebben op de uitkomst van de zaak en waarin materieel bewijslevering plaatsvindt. De rechter die bepaalt of een deskundige aan partijen gelegenheid moet geven tot een reactie op het deskundigenadvies, zal het belang van partijen om bij de deskundige opmerkingen te maken en verzoeken te doen naar aanleiding van het deskundigenadvies, tegen deze achtergronden moeten afwegen tegen andere belangen, waaronder het belang dat een deskundige het onderzoek effectief en efficiënt kan verrichten en zijn oordeel in vrijheid kan vormen, en het belang dat een procedure binnen een redelijke termijn en tegen aanvaardbare kosten kan worden afgewikkeld.”
De Hoge Raad heeft verschillende malen geoordeeld dat een verzuim in de naleving van het voorschrift over opmerkingen en verzoeken niet in zijn algemeenheid in de weg staat aan het gebruik van het deskundigenbericht.
Het is overgelaten aan het beleid van de rechter in de feitelijke instanties of er in dat geval aanleiding is om zich nader door deskundigen te laten voorlichten.
In het zgn. Halcion II-arrest werd in cassatie geklaagd dat het hof had miskend dat art. 223 lid 5 Rv (de voorganger van art. 198 lid 2 Rv) primair of mede ertoe strekt partijen de gelegenheid te bieden om tijdens het feitelijk onderzoek door de deskundigen opmerkingen te maken en verzoeken te doen.
De Hoge Raad verwierp deze klacht als volgt:
“3.1 Het middel faalt. Het houdt in de eerste plaats onvoldoende in het oog dat, zoals uit de wetsgeschiedenis naar voren komt, aan de deskundigen ‘de nodige vrijheid en zelfstandigheid (dient) te worden gelaten om het onderzoek, waarvoor zij immers verantwoordelijk zijn, op de hun best voorkomende wijze te verrichten’ (citaat uit de nadere memorie van antwoord aan de Tweede Kamer, Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht, blz. 344). Voorts gaat het klaarblijkelijk uit van de onjuiste opvatting dat de deskundigen in beginsel gehouden zijn tot het honoreren van elk in enige fase van het onderzoek door een der partijen gedaan verzoek om in de gelegenheid te worden gesteld van de voorlopige bevindingen van de deskundigen kennis te nemen en daarop commentaar te leveren. Tenslotte dient in aanmerking te worden genomen dat de deskundigen op grond van de opmerkingen van de advocaat van Upjohn vreesden dat inwilliging van het verzoek van Upjohn de onafhankelijke oordeelsvorming van de deskundigen zou kunnen aantasten; kennelijk heeft het Hof deze vrees niet ongegrond geacht en mede om deze reden voldoende geoordeeld dat partijen commentaar hebben kunnen leveren op het concept van het rapport en dat met dit commentaar ook rekening is gehouden bij de vaststelling van de definitieve tekst van het rapport.”
In de zaak Mantovanelli/Frankrijk heeft het EHRM de uitgangspunten van de Hoge Raad in onder meer het Halcion II-arrest min of meer bevestigd.
Een van de elementen van “a fair hearing” in de zin van art. 6 EVRM is “the right to adversial proceedings”.
Naleving van het “adversial principle” is gerelateerd aan de gerechtelijke procedure zelf. Hieruit mag niet een algemeen, abstract beginsel worden afgeleid, dat partijen in alle instanties moet worden toegestaan de ondervragingen door de deskundige bij te wonen en de documenten waar hij zich op baseert in te zien.
Essentieel is dat partijen adequaat kunnen participeren in de procedure voor het gerecht.
In de zaak Mantovanelli hadden de klagers hun standpunt slechts effectief naar voren kunnen brengen voordat het rapport aan het gerecht was verzonden.
Zij waren echter niet in de gelegenheid gesteld deel te nemen aan de ondervraging van getuigen. Bovendien werden de klagers pas bekend met een aantal stukken waarop de deskundige zijn conclusie had gebaseerd nadat het onderzoek was beëindigd.
Aldus waren zij niet in de gelegenheid geweest om effectief te reageren op het belangrijkste bewijsstuk. Daarmee was naar het oordeel van het EHRM sprake van schending van art. 6 EVRM.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over deskundigen in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.