De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 2 maart 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een gelegd conservatoir beslag op onroerend goed uit een nalatenschap diende te worden opgeheven.
In geschil is of het door gedaagde ten laste van eisers op 5 januari 2021 gelegde beslag op de verkoopopbrengst van de landerijen op de kwaliteitsrekening van de notaris moet worden opgeheven en of er aanleiding bestaat om aan gedaagde een beslagverbod op te leggen voor de door hem gestelde vordering op eisers.
Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Opheffing conservatoir beslag op onroerend goed? Peildatum van waardering van onroerend goed bij de verdeling van een nalatenschap.
De rechter oordeelt als volgt.
Opheffing conservatoir beslag – juridisch kader
Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv wordt een conservatoir beslag opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt.
Het ligt daarbij op de weg degene die opheffing vordert, om met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kort geding aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van de beslagen om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.
De omstandigheid dat de vordering waarvoor het beslag is gelegd in eerste aanleg is afgewezen althans ondeugdelijk is bevonden, rechtvaardigt niet zonder meer het oordeel dat de gestelde vordering ondeugdelijk is indien tegen het vonnis een rechtsmiddel is ingesteld.
Ook in een dergelijk geval moetende wederzijdse belangen van partijen worden afgewogen, waarbij dient te worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder dient te wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag.
Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
De omstandigheid dat de rechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, dient hierbij te worden meegewogen.
Van de rechter kan overigens niet gevergd worden dat hij in zijn vonnis mede een voorlopige beoordeling geeft van de kans van slagen van het door de beslaglegger tegen het vonnis aangewende rechtsmiddel.
Gelet op het vorenstaande moet eisers in dit kort geding aannemelijk maken dat de gepretendeerde vordering van gedaagde op eisers ondeugdelijk is.
Vervolgens dient de voorzieningenrechter aan de hand van een beoordeling van hetgeen door partijen is aangevoerd te beoordelen of het beslag al dan niet moet worden opgeheven, waarbij de belangen van beide partijen moeten worden afgewogen.
De vordering van gedaagde waarvoor het beslag is gelegd betreft, naar de voorzieningenrechter begrijpt, een vordering uit onverschuldigde betaling.
Gedaagde stelt zich immers op het standpunt dat de rechtbank een onjuiste peildatum voor de verdeling van de landerijen heeft gehanteerd, met als gevolg een te hoog vastgestelde waarde van de landerijen, die gedaagde ter uitvoering van het vonnis van 9 september 2020 aan eisers heeft moeten betalen. Het zijns inziens teveel betaalde vordert gedaagde terug van eisers.
Uitgangspunt bij de verdeling van een gemeenschap is dat de waardering van de op het tijdstip van de verdeling tot de gemeenschap behorende goederen moet geschieden naar hun waarde op dat ogenblik, tenzij partijen anders zijn overeengekomen of op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden.
Of destijds een (rechtsgeldige) koopovereenkomst tussen moeder en gedaagde is gesloten, is in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door eisers naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk gemaakt.
Eiser heeft voldoende toegelicht dat moeder in 2007 niet meer, althans onvoldoende in staat was haar wil te kunnen bepalen vanwege voortschrijdende dementie.
De enkele omstandigheid dat de percelen in 2007 zijn getaxeerd, is onvoldoende om het bestaan van een koopovereenkomst aan te nemen, nog daargelaten dat gedaagde ook niet voor het voetlicht heeft gebracht onder welke voorwaarden de percelen aan hem in eigendom zouden worden overgedragen.
De voorzieningenrechter voegt hier nog aan toe dat de omstandigheid dat het destijds in 2007 of nadien niet tot overdracht van de landerijen aan gedaagde (tegen een lagere prijs dan de huidige verkoopprijs) is gekomen, in beginsel in zijn risicosfeer ligt.
De rechtbank heeft in haar vonnis(sen) genoemde hoofdregel dat de datum van feitelijke verdeling in beginsel de peildatum voor de waardering van te verdelen gemeenschapsgoederen is voorop gesteld.
Vervolgens heeft de rechtbank gemotiveerd overwogen waarom er géén aanleiding bestaat om van de door gedaagde genoemde eerdere peildatum van februari 2007 uit te gaan.
Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet uit het enkele bestaan van een (eventuele) koopovereenkomst tussen moeder en gedaagde in 2007 bij de huidige verkoop aan gedaagde aansluiting moet worden gezocht bij de waarde van de percelen in 2007.
Gedaagde heeft in dit kort geding geen nieuwe argumenten aangevoerd die in afwijking van het oordeel van de rechtbank zouden rechtvaardigen dat de datum van het sluiten van de eventuele koopovereenkomst tussen moeder en [gedaagde] in 2007 betekenis zou moeten hebben voor de peildatum die voor de waardering van de landerijen moet worden gehanteerd.
Het oordeel van de rechtbank op dit punt strekt daarmee tot uitgangspunt.
Voor zover gedaagde heeft aangevoerd dat moeder destijds wilde dat de landerijen naar hem gingen, is dat geen omstandigheid die naar het oordeel van de voorzieningenrechter maakt dat op grond van de redelijkheid en billijkheid van de door gedaagde bepleite peildatum van februari 2007 moet worden uitgegaan.
Hetzelfde lot treft het argument van gedaagde dat hantering van een eerdere peildatum betekent dat de waarde van de door hem gestelde kavelverbeteringswerkzaamheden alsnog bij de waardering kunnen worden meegenomen.
Ook hierover heeft de rechtbank gemotiveerd beslist, waarbij zij heeft geconcludeerd dat er géén rechtsgrond bestaat om de door gedaagde gestelde op zijn kosten uitgevoerde kavelverbeteringswerkzaamheden bij de verdeling te betrekken.
Ook hier heeft gedaagde in dit kort geding geen nieuwe argumenten aangevoerd die een ander licht op deze kwestie werpen. Het oordeel van de rechtbank over de kavelverbeteringswerkzaamheden strekt derhalve ook hier tot uitgangspunt.
Ten slotte heeft gedaagd in dit kort geding niet onderbouwd waarom in afwijking van de genoemde hoofdregel van een peildatum per datum overlijden van vader respectievelijk moeder zou worden uitgegaan, een betoog dat hij stelt in hoger beroep alsnog (subsidiair) te gaan voeren.
Uit het voorgaande volgt dat gedaagde naar voorlopig oordeel geen vordering op eisers uit onverschuldigde betaling heeft vanwege een onjuist gekozen peildatum voor de waardering van de te verdelen landerijen, voor welke vordering het onderhavige beslag is gelegd.
Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter summierlijk gebleken van de ondeugdelijkheid van de vordering van gedaagde op eisers.
Bij die stand van zaken kan in het midden worden gelaten of zoals eisers stelt en gedaagde betwist, gedaagde in de notariële akte van 4 januari 2021 al dan niet afstand van enig recht heeft gedaan.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van eisers bij opheffing van het beslag zwaarder dient te wegen dan het belang van gedaagde bij handhaving van het beslag.
De rechtbank heeft in de hoofdzaak uitspraak gedaan, waarbij de door gedaagde c.s. bepleite afwijkende peildatum – waarop zijn nu voorliggende vordering is gegrond – gemotiveerd is verworpen.
Dit is een belangrijke factor die in het voordeel van eisers spreekt.
Daar komt bij dat eisers na een lang slepende bodemprocedure uiteindelijk de wijze van verdeling van de gemeenschap heeft vastgesteld en dat eisers in dit kader de beschikking zou krijgen over een zeer substantiële geldsom.
Het onderhavige beslag verhindert dit in belangrijke mate.
Opvallend is dat gedaagde op dezelfde dag waarop de notariële akte is gepasseerd, al verlof voor beslaglegging op de aan eisers toekomende gelden heeft gevraagd en daags erna ook heeft gelegd, kennelijk om uitbetaling van het aan eisers toekomende bedrag grotendeels te voorkomen.
Voorshands kan dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet anders worden gezien dan als het frustreren van de uitvoering van de door de rechtbank bevolen verdeling.
Gedaagde kreeg zodoende wel de landerijen in handen, maar wilde tegenhouden dat eisers de volledige door de rechtbank vastgestelde tegenprestatie zou ontvangen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over conservatoir beslag op onroerend goed in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.