De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vaststelling van de omvang van een nalatenschap met een tweetrapslegaat.

Op 28 maart 2018 is te overleden de heer A (hierna: erflater of vader).

Ten tijde van zijn overlijden was erflater gehuwd met gedaagde.

Erflater en gedaagde zijn de ouders van eiseres, en overige gedaagden.

Eiseres vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis gedaagde veroordeelt een volledige en onderbouwde opgave te doen van activa en passiva behorende tot de nalatenschap van erflater.

In essentie kunnen de vorderingen over en weer op hoofdlijnen als volgt (onder)verdeeld worden:

  1. opgave activa en passiva nalatenschap erflater en afgifte bescheiden.
  2. vaststelling omvang tweetrapslegaat (woning, inboedel, banktegoeden, kosten executele).
  3. jaarlijkse opgave.

De rechtbank zal deze geschilpunten hierna achtereenvolgens in de beoordeling betrekken.

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Vaststelling omvang nalatenschap met tweetrapslegaat. Verplichtingen bezwaarde jegens verwachters. Jaarlijkse opgave bezwaard vermogen. 

De rechter oordeelt als volgt.

De rechtbank stelt vast dat partijen over en weer uitvoerig gecorrespondeerd hebben, waarbij voor eiseres van meet af aan de inzet is geweest om informatie van gedaagde te verkrijgen over de omvang en samenstelling van de nalatenschap van vader en het daaruit voortvloeiende bezwaarde vermogen.

Een en ander, zo leidt de rechtbank uit de in het geding gebrachte correspondentie af, heeft geleid tot verstrekking van diverse stukken aan eiseres, waaronder de aangifte voor de erfbelasting in de nalatenschap van erflater.

Anders dan eiseres, is de rechtbank van oordeel dat zij geen belang (meer) heeft bij een (nieuwe) opgave van de activa en passiva van de nalatenschap van erflater door gedaagde.

Uit de dagvaarding en de conclusie van antwoord rijst het beeld op dat partijen met de door hen ieder afzonderlijk gegeven vermogensopstelling van de nalatenschap van vader niet zozeer van mening verschillen over de samenstelling van de boedel, als wel (deels) over de waardering van de afzonderlijke bestanddelen.

Dit gegeven brengt reeds met zich dat zonder nadere toelichting van de zijde van eiseres niet aanstonds duidelijk is welk belang zij nog heeft bij een (nieuwe) opstelling door moeder.

Dit geldt te meer omdat eiseres bij dagvaarding in vervolg op de reeds voorafgaand aan deze procedure ontvangen stukken, aanspraak heeft gemaakt op (1) de IB aangifte 2017, aangifte erfbelasting, stukken aangaande de hypotheek op de echtelijke woning en (2) onroerend goed in S en een taxatierapport roerende zaken.

De rechtbank stelt vast dat gedaagde in daaropvolgende conclusie de onder 1 genoemde bescheiden in het geding heeft gebracht.

Wat betreft de genoemde bescheiden heeft gedaagde bestreden dat tot de nalatenschap onroerend goed in S behoort en betwist dat zij over een taxatierapport van de roerende zaken beschikt.

Het had daarom op de weg van eiseres gelegen concreet aan te geven wat zij, in aanvulling op de reeds voorhanden zijnde stukken, nog meer nodig heeft.

Zonder nadere toelichting van eiseres houdt de rechtbank het ervoor dat met de aanvulling van vorenstaande bescheiden op de reeds voorafgaand aan deze procedure gewisselde stukken, de omvang en samenstelling van de nalatenschap van vader van een zodanig adequate verslaglegging is voorzien dat het belang van eiseres bij het gevorderde is komen te ontvallen.

In zoverre ligt het gevorderde voor afwijzing gereed.

In essentie draait deze zaak om de vraag of de door moeder (hierna weergegeven) vermogensopstelling van de huwelijksgemeenschap en nalatenschap gevolgd kan worden bij de berekening van de omvang van het tweetrapslegaat.

Eiseres heeft de juistheid van de hiernavolgende opstelling van moeder op meerdere onderdelen bestreden.

In essentie heeft eiseres betwist dat de door moeder in het overzicht opgenomen kosten in de berekening van het legaat moeten worden betrokken omdat deze niet kwalificeren als kosten executele in de zin van artikel 4:7 lid 1 sub d BW.

De rechtbank stelt bij de beoordeling het navolgende voorop.

De kosten van de executele zijn schulden van de nalatenschap en komen voor rekening van de erfgenamen (artikel 4:7 lid 1 onder d BW).

Indien de executeur gelet op zijn taak en de vervulling daarvan in redelijkheid niet had kunnen komen tot het maken van deze kosten of het ontstaan daarvan had kunnen voorkomen kan er aanleiding zijn te oordelen dat de executeur deze kosten geheel of gedeeltelijk zelf moet dragen.

Daarbij zijn in elk geval van belang de aard van deze kosten, de reden voor het ontstaan daarvan, de verwijtbaarheid en de vermijdbaarheid daarvan en de omvang van de nalatenschap.

In hoeverre de kosten van executele voor rekening van de executeur komen zal in het algemeen aan de orde komen bij de rekening en verantwoording door de executeur (zie ook hof Arnhem-Leeuwarden 19 februari 2019, GHARL:2019:1587).

Sterk samengevat heeft eiseres aan het gevorderde ten grondslag gelegd dat moeder op grond van het bepaalde in artikel 4:138 lid 2 en 3:205 lid 4 BW gehouden is jaarlijks opgave te doen van -kort gezegd- de eventuele mutaties van het bezwaard vermogen uit hoofde van het door haar verkregen tweetrapslegaat.

Moeder heeft het vorenstaande betwist, en in essentie aangevoerd dat de door eiseres genoemde wettelijke bepalingen uitsluitend van toepassing zijn op voorwaardelijke erfstellingen en niet op tweetrapslegaten.

Bovendien omvat het legaat slechts de waarde van de goederen.

Aldus is van een verplichting tot het doen van een jaarlijkse opgave geen sprake, aldus moeder.

De rechtbank wijst het gevorderde af.

Eiseres heeft bij haar vorderingen aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 4:138 lid 2 juncto 3:205 lid 4 BW (laatstgenoemde als onderdeel van titel 8 van Boek 3 BW).

Partijen, en overigens ook de literatuur, zijn verdeeld over de toepasselijkheid van deze bepaling omdat artikel 4:138 BW naar de letter genomen (in beginsel) beperkt is tot erfstellingen.

De beantwoording van de vraag of artikel 3:205 BW ook geldt bij een tweetrapslegaat kan echter in het midden blijven.

De vorderingen zijn zonder uitzondering gericht op het voor eiseres als verwachter inzichtelijk maken van de vermogensmutaties die zich hebben voorgedaan ten aanzien van de goederen van de nalatenschap.

Omdat het tweetrapslegaat uitsluitend de (hiervoor vastgestelde) waarde van de nalatenschap van erflater omvat, ziet de rechtbank niet in welk belang eiseres bij een dergelijke opgave heeft.

In zoverre volgt de rechtbank het verweer van moeder.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.