De Rechtbank Rotterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of er rekening en verantwoording diende te worden afgelegd over het gebruik van de pinpas van de erflaatster.

Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de nalatenschap van erflaatster een vordering heeft op gedaagde ten bedrage van € 107.197,96.

Hieraan legt eiser het volgende ten grondslag.

Gedaagde heeft sinds medio 2010 de administratie van erflaatster overgenomen en had een gemachtigdenpas van de bankrekening van erflaatster.

Uit de bankafschriften van erflaatster volgt dat met deze gemachtigdenpas sedertdien en over de gehele periode tot zelfs na het overlijden van erflaatster overboekingen naar de bankrekening van gedaagde (€ 25.833,45), pinuitgaven (€ 18.394,51) en opnames van contact geld (€ 62.970,-) zijn gedaan ten bedrage van in totaal € 107.197,96.

Hierin is begrepen een bedrag van € 2.214,10 aan betalingen en overboekingen op en na de dag van het overlijden van erflaatster.

Eiser heeft aan gedaagde gevraagd om rekening en verantwoording af te leggen over deze uitgaven, omdat deze volgens hem niet pasten in de sobere levensstijl van erflaatster.

Gedaagde heeft echter geen (behoorlijke) rekening en verantwoording afgelegd, zodat (voorshands) bewezen dient te worden geacht dat gedaagde het bedrag aan zichzelf heeft doen toekomen, al dan niet door (een deel hiervan) voor eigen baat (bij derden) te besteden, zodat gedaagde het bedrag aan de nalatenschap moet terugbetalen, aldus eiser.

Gedaagde betwist, kort gezegd, dat zij gehouden was om rekening en verantwoording af te leggen.

Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Volmacht. Beheer. Gebruik van pinpas van erflaatster. Afleggen van rekening en verantwoording? Afhankelijkheidsrelatie. Zorg. Uitgavenpatroon. Misbruik van omstandigheden.

De rechter oordeelt als volgt.

Volgens vaste rechtspraak kan een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording worden aangenomen indien tussen partijen een rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan krachtens welke de een jegens de ander (de rechthebbende) verplicht is om zich omtrent de behoorlijkheid van enig vermogensrechtelijk beleid te verantwoorden.

Een zodanige rechtsverhouding kan voortvloeien uit de wet, een rechtshandeling of ongeschreven recht (arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021, HR:2021:1848).

Partijen zijn het erover eens dat een dergelijke rechtsverhouding in dit geval niet uit de wet voortvloeit.

Volgens eiser kenmerkt de rechtsverhouding tussen gedaagde en erflaatster zich door de door erflaatster aan gedaagde verleende volmacht (gemachtigdenpas) om ten laste van de bankrekening(en) van erflaatster geld op te nemen en vorderingen te voldoen, en daarnaast door de omstandigheid dat gedaagde voor erflaatster zorgde.

Ten aanzien van de gestelde volmacht overweegt de rechtbank als volgt.

Uit vaste rechtspraak (arrest van de Hoge Raad van 13 mei 2005, HR:2005:AS4167) volgt dat er geen rekening en verantwoording aan de erfgenamen afgelegd behoeft te worden als niet is komen vast te staan dat de erflater ten tijde van de volmachtsverlening en het gebruik van de volmacht niet in staat was haar wil te bepalen, de erflater tevens bij leven geen aanleiding heeft gezien om de gevolmachtigde ter verantwoording te roepen en niet is gesteld dat sprake is van misbruik van omstandigheden.

Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat, zo het verstrekken van een gemachtigdenpas al als volmachtverlening moet worden aangemerkt, erflaatster ten tijde van die volmachtsverlening en het gebruik van de volmacht niet in staat was haar wil te bepalen.

Gelet hierop wordt erflaatster geacht in staat te zijn geweest om aan gedaagde rekening en verantwoording te vragen van de besteding van de door haar opgenomen gelden.

Dit kan alleen anders zijn als sprake is van misbruik van omstandigheden.

Eiser heeft echter onvoldoende gesteld om tot het oordeel te kunnen komen dat daarvan sprake is geweest.

Dat gedaagde veel deed voor erflater, betekent niet dat er sprake is geweest van een zodanige afhankelijkheidsrelatie dat erflaatster geen rekening en verantwoording heeft kunnen of durven vragen, al of niet door tussenkomst van eiser, die al die jaren met enige regelmaat bij haar op bezoek kwam en bij wie zij eventuele twijfels over de financiële wandel en handel van gedaagde had kunnen uiten.

Daaromtrent is echter niets gesteld of gebleken.

Gedaagde was gelet hierop niet op grond van volmachtsverlening verplicht om rekening en verantwoording af te leggen.

Volgens eiser zorgde gedaagde ook voor erflaatster, zodat zij op grond van het ongeschreven recht verplicht is om rekening en verantwoording af te leggen.

De Hoge Raad heeft in dit verband geoordeeld dat aan het oordeel dat op grond van ongeschreven recht een verplichting bestaat om zich te verantwoorden over de behoorlijkheid van het over het vermogen van een ander gevoerd beheer, kan bijdragen dat sprake is van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.

Voor het overige is het antwoord op de vraag of een zodanige verantwoording geboden is, sterk afhankelijk van de omstandigheden van het geval.

Omstandigheden die in dit verband een rol kunnen spelen zijn onder meer:

  • de redenen waarom het beheer is gevoerd,
  • (de verhouding die bestond tussen degene die het beheer voerde en de rechthebbende,
  • hetgeen in de relatie tussen partijen of in soortgelijke gevallen gebruikelijk is of was,
  • (de mate waarin degene die het beheer voerde, zelfstandig kon en mocht handelen,
  • en de mate waarin de rechthebbende in staat is geweest de handelingen van degene die het beheer voerde te overzien en voor zijn belangen op te komen (arrest van de Hoge Raad van 10 december 2021, HR:2021:1848).

Door eiser is niet gesteld dat tussen gedaagde en erflaatster sprake is geweest van een rechtsverhouding die verwantschap vertoont met een of meer in de wet geregelde gevallen waarin een dergelijke verplichting is neergelegd, zoals gemeenschap, opdracht of zaakwaarneming.

Gelet hierop zal op grond van de omstandigheden van het geval beoordeeld moeten worden of er een verantwoordingsplicht is.

Gedaagde heeft echter gemotiveerd betwist dat zij beheer heeft gevoerd over het vermogen van erflaatster, zodat volgens haar aan het beoordelen van de omstandigheden die hiervoor zijn genoemd niet toegekomen kan worden.

Naar het oordeel van de rechtbank kan de vraag of sprake is van beheer niet geheel los worden gezien van de – ook daarvoor van belang zijnde – onder (i) tot en met (v) genoemde omstandigheden.

Verder stelt de rechtbank voorop dat zich als ene uiterste de situatie laat denken dat iemand feitelijk geen enkele betaling of overboeking of welke fysieke handeling ook verricht, maar wel een derde gedetailleerd aanstuurt en zich daarbij meer of minder frequent informeert of door die derde laat informeren over de financiële stand van zaken.

In dat geval kan bezwaarlijk worden geoordeeld dat die derde het beheer voert.

Het andere uiterste is dat juist een ingeschakelde derde zelf geen overboekingen en betalingen of welke fysieke handeling ook verricht, maar gedetailleerde instructies geeft aan de betrokkene over te verrichten overboekingen en betalingen, die de betrokkene vervolgens als het ware werktuiglijk uitvoert, zonder enig overzicht van of inzicht in de eigen financiële stand van zaken te hebben.

In dit laatste geval ligt het voor de hand dat wordt geoordeeld dat de derde het beheer voert.

Na ampele afweging van alle omstandigheden van het geval is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige situatie niet gesproken kan worden van beheer door gedaagde, over de behoorlijkheid waarvan zij zich dient te verantwoorden.

De omstandigheden dat gedaagde een gemachtigdenpas in haar bezit had en daarmee uitgaven deed, betekenen op zich niet dat gedaagde ook het beheer heeft gevoerd.

Eiser heeft onvoldoende aangevoerd waaruit volgt dat erflaatster in deze periode niet zelf haar financiën kon regelen (vgl. arresten van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 8 januari 2019, GHSHE:2019:14, en van het gerechtshof Den Haag van 1 november 2022, GHDHA:2022:2818).

In het bijzonder is – anders dan in de door eiser aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland (van 24 mei 2019, RBMNE:2019:2313) – niet gesteld of gebleken dat erflaatster niet in staat was om haar (financiële) wil te bepalen en haar vermogensrechtelijke belangen te behartigen.

Zij heeft in 2010 zelf, en kennelijk onweersproken door eiser, besloten zich bij haar financiën niet langer door eiser, maar door gedaagde te laten bijstaan.

Dat zij haar wil niet kon bepalen, volgt ook niet uit het door gedaagde verleend zijn van mantelzorg vanwege fysieke beperkingen.

Er is ook geen bewind ingesteld of overwogen.

Ter zitting heeft eiser bovendien desgevraagd slechts verklaard dat erflaatster na haar laatste tia vergeetachtiger is geworden en dat zij snel daarna is overleden.

Uit het door eiser overgelegde overzicht blijkt voorts dat erflaatster tot eind september 2019 meerdere keren per week zelf pinde met haar eigen bankpas.

Daarnaast heeft gedaagde verklaard dat zij, als ze geld pinde voor erflaatster of boodschappen deed voor erflaatster, altijd het bonnetje mee terug nam en in de fruitschaal op tafel legde, omdat erflaatster het bonnetje wilde controleren.

Volgens gedaagde had zij inderdaad als enige toegang tot internetbankieren, maar liet zij regelmatig aan erflaatster via haar telefoon of laptop de bankrekening zien, zodat erflaatster wist wat ermee gebeurde.

Toen erflaatster nog in X woonde, hebben de afschriften in mappen op dezelfde plaats in de kast gelegen als toen eiser de administratie nog verzorgde en hebben erflaatster en eiser deze kunnen inzien.

Dit alles is onvoldoende gemotiveerd betwist door eiser.

Zo is niet gesteld dat erflaatster of eiser toen, of na de verhuizing, bijvoorbeeld heeft gevraagd waar de mappen met afschriften toch waren gebleven en of gedaagde misschien eens bonnetjes kon achterlaten.

Ook overigens constateert de rechtbank dat eiser in al die jaren kennelijk nooit aanleiding heeft gezien om enige verantwoording aan gedaagde te vragen.

Ook erflaatster heeft dit kennelijk nooit gedaan of – al dan niet na het uitblijven van de gewenste verantwoording – door eiser of zijn partner A laten doen.

A heeft verklaard dat erflaatster in de periode dat zij haar heeft gekend – volgens eiser is dat vanaf 2017 geweest – meerdere keren naar haar geld en spaarbankboekje heeft gevraagd en dat A dan uitlegde dat gedaagde dit beheerde en alles financieel voor erflaatster regelde.

Ook deze vragen en antwoorden, die op zichzelf niet wijzen op wantrouwen jegens gedaagde, hebben kennelijk noch eiser, noch A, noch erflaatster zelf aanleiding gegeven tot het stellen van al of niet kritische vragen aan gedaagde.

Pas na het overlijden van erflaatster is eiser vragen gaan stellen.

De verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 11 april 2017 (GHAMS:2017:1272) ten slotte kan eiser niet baten.

In de daarin beoordeelde zaak ging het over met een gemachtigdenpas gedane opnamen gedurende de periode dat de erflaatster na een herseninfarct was opgenomen, eerst in een ziekenhuis en later in verpleeghuizen, in welke periode zij door degene van wie rekening en verantwoording werd gevorderd intensief werd bezocht en met allerlei noodzakelijk mantelzorg werd omringd en ondersteund.

Daarbij is het gerechtshof ervan uitgegaan dat erflaatster nog in staat was haar wil te uiten, maar vanwege haar situatie zelf geen opnamen meer kon of wilde doen.

In de onderhavige zaak is, blijkens het hiervoor overwogene, gedurende vrijwel de gehele periode in geding – omstreeks tien jaar – de situatie substantieel anders geweest, met name wat betreft de gezondheid en (ook) zelfstandige financiële activiteit van erflaatster.

Het hiervoor overwogene ligt ten dele anders in het laatste halfjaar van het leven van erflaatster, maar de rechtbank ziet onvoldoende aanleiding bij de beoordeling daar een scheiding te maken, aangezien niet is gesteld of gebleken dat het uitgavenpatroon in die laatste periode afweek van dat in de periode voordien, waarin het grootste deel van de ter discussie staande transacties plaatsvond, terwijl eventuele meeruitgaven (eiser neemt hier in de dagvaarding verschillende standpunten over in) zich mede zouden laten verklaren door de omstandigheid dat erflaatster in die laatste periode, naar eiser heeft erkend, zelf geen aankopen meer deed.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat op gedaagde geen verplichting rust om rekening en verantwoording af te leggen en dat het ervoor gehouden moet worden dat de tot de dag van het overlijden van erflaatster verrichte transacties van in totaal € 104.983,86 (over de resterende € 2.214,10 wordt hierna onder 2.17 geoordeeld) door gedaagde met instemming van erflaatster zijn gedaan.

De op het bestaan van die verplichting gebaseerde vorderingen moeten daarom worden afgewezen.

De rechtbank realiseert zich dat het, gelet op de grote omvang van de bedragen waar het om gaat en diverse op zichzelf reële vragen die daarbij gesteld kunnen worden, voor eiser onbevredigend is dat geen rekening en verantwoording behoeft te worden afgelegd, net zoals het omgekeerd onbevredigend voor gedaagde zou zijn als na verloop van tien jaar alsnog rekening en verantwoording zou moeten, maar niet meer zou kunnen worden afgelegd.

Ter zitting is dit met partijen besproken en is onderzocht of een (“gemiddeld”) minder onbevredigende tussenoplossing bereikt kon worden, hetgeen uiteindelijk niet het geval bleek.

In die situatie moet, bij het bestaan van argumenten voor beide standpunten, een knoop worden doorgehakt.

Daarbij manifesteert zich in dit geval het risico van het zeer langdurig op zijn beloop zijn gelaten van de situatie: tijdens de besproken tien jaar had op verzoek van erflaatster, al of niet op suggestie of na vragen van eiser, steeds desgevraagd elke euro verantwoord moeten kunnen worden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.