De Rechtbank Midden-Nederland heeft onlangs uitspraak gedaan over de waardebepaling van een legaat.

Deze zaak gaat over de nalatenschap van erflater.

Eisers zijn de kinderen uit zijn eerste huwelijk.

Gedaagde is een zoon uit zijn tweede huwelijk.

Eisers zijn onterfd.

Zij vorderen dat de rechtbank de omvang van de legaten vaststelt die erflater hun heeft toegekend.

Kort gezegd hebben deze legaten dezelfde omvang als de legitieme portie.

Om de omvang van de legaten te kunnen vaststellen, moet vaststaan wat de waarde is van de goederen van de nalatenschap.

Belangrijke goederen van de nalatenschap zijn de aandelen in de B.V.

De eisers vorderen dat de rechtbank de omvang van hun legaten vaststelt.

Partijen verschillen van mening over de wijze waarop de aandelen moeten worden gewaardeerd.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Afgifte van een legaat. Waarde van een legaat. Waardering van aandelen. Deskundigenbericht. Methoden van waardering.

De rechter oordeelt als volgt.

De partijen verschillen van mening over de wijze waarop de aandelen moeten worden gewaardeerd.

Volgens eisers voldoen de rapporten, die zoals vermeld in opdracht van gedaagden zijn opgesteld, niet aan de gangbare waarderingsregels.

Daarom vorderen eisers dat de rechtbank drie deskundigen benoemt om de aandelen te waarderen per overlijdensdatum en om vast te stellen welke waarde na eventuele fiscale correcties bij de berekening van de omvang van de legaten in aanmerking moet worden genomen.

Volgens eisers moeten de deskundigen de aandelen waarderen zoals in het testament bepaald, namelijk op basis van het zichtbaar intrinsieke vermogen.

Gedaagden stellen dat de aandelen op basis van de DCF-methode moeten worden gewaardeerd en dat bij die waardering zal moeten worden aangesloten.

Eisers hebben niet duidelijk gemaakt wat hier niet aan klopt.

De bepaling in het testament over de waardering van de aandelen heeft geen betrekking op de legaten van eisers.

Deze bepaling is geschreven voor de vaststelling van het legaat aan A, dat neerkomt op een bedrag gelijk aan 80% van de waarde van de aandelen.

Volgens gedaagden heeft de notaris dit ook bevestigd.

Gedaagden hebben er daarnaast op gewezen dat eisers de aandelen zelf ook zouden laten waarderen.

Zij hebben daarvoor alle informatie gekregen en hen is verteld dat zij in geval van vragen hiervoor contact konden opnemen met gedaagde.

Dat hebben zij niet gedaan en een eigen waardering heeft nooit plaatsgevonden.

Gedaagden menen dat er gezien het voorgaande geen reden is om de aandelen nogmaals te laten waarderen.

Zij hebben tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat zij wel bereid zijn om uit te gaan van de (gecorrigeerde) intrinsieke waarde van de aandelen die ook voor de fiscale waardering is gebruikt.

Als hierover echter geen akkoord wordt bereikt, zal volgens hen moeten worden aangesloten bij de waardering door G.

Dat zal de rechtbank echter niet doen.

G heeft de aandelen gewaardeerd op basis van de DCF- methode, maar eisers hebben onweersproken gesteld dat gedaagden daartoe opdracht hebben gegeven.

Het is dus niet zo dat G dit zelf als de meest geschikte wijze van waarderen zag.

Dat wordt in het waarderingsrapport ook niet vermeld, laat staan toegelicht.

Dat de aandelen in dit geval op grond van de DCF- methode moeten worden gewaardeerd, staat voor de rechtbank ook niet vast.

Hiervoor is van belang dat bij de DCF- methode gekeken wordt naar de toekomstige kasstromen, waarbij de waarde van de activa (in dit geval bijvoorbeeld de onroerende goederen, de kunst en de merken en licenties) geen rol speelt.

Dat kan klemmen.

Niet alleen omdat de waarde van de onroerende zaken en kunst aanzienlijk is (zoals ook blijkt uit de waardering die door de fiscus is geaccepteerd), maar ook omdat gedaagde tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard dat het sinds het overlijden van erflater minder goed gaat met de B.V.

Hij heeft verteld dat hij de onderneming wel wil voorzetten, maar dat het merkbaar is dat het creatieve gezicht van de onderneming er niet meer is.

Volgens gedaagde kwamen opdrachtgevers toch vaak voor erflater en wilden ze dus met hém contact.

Het is in het licht van deze omstandigheden de vraag of een waardering op basis van de DCF- methode wel geëigend is.

De rechtbank wil de vraag of dit zo is of dat waarde van de aandelen op een andere manier moet worden vastgesteld, laten beantwoorden door een deskundige.

Uit het voorgaande blijkt al dat de rechtbank niet van oordeel is dat er voor de waardering moet worden aangesloten bij de bepaling uit het testament en de deskundigen dus ook niet zal opdragen om dit te doen.

Op grond van deze bepaling moet het ondernemingsvermogen worden vastgesteld aan de hand van het zichtbaar intrinsieke vermogen, waarbij alle activa worden gewaardeerd naar de actuele marktwaarden te verminderen met de contante waarde van de passiva die tot het eigen vermogen behoren.

Zoals vermeld, heeft A een (pre)legaat gekregen, in de vorm van een geldbedrag ter grootte van 80% van de intrinsieke waarde van de aandelen.

Gedaagden hebben uitvoerig toegelicht dat de bepaling over de waardering van het ondernemingsvermogen volgens hen (uitsluitend) is geschreven voor de waardering van het legaat van A.

Of dat het geval is, is een kwestie van uitleg van het testament (de uiterste wilsbeschikking).

Op grond van artikel 4:65 BW moet daarbij worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Gedaagden hebben ter onderbouwing van hun stelling allereerst gewezen op een passage in het testament, waarin is vermeld dat erflater zich ervan bewust is dat gedaagde door het legaat van de aandelen meer vermogen erft dan A.

Aan A wordt een bedrag in contanten gelegateerd.

In deze passage is vervolgens te lezen:

“Dit is vermogen dat verder geen inspanningen van haar verlangt. Van mijn zoon evenwel zal worden gevergd om mijn onderneming voor te zetten. Vanwege dit verschil in energie en inspanning dat van enerzijds A en anderzijds gedaagde wordt gevraagd, acht ik het redelijk dat A niet wordt “gecompenseerd” voor het bedrag dat de onderneming waard is en vind ik het daarom redelijk dat aan haar een bedrag wordt gelegateerd dat overeenkomt met tachtig procent van de intrinsieke waarde van de onderneming, een en ander zoals bepaald in hoofdstuk 14”.

Zoals vermeld, halen gedaagden ook een e-mail van de notaris aan.

De notaris schrijft dat de bepaling over de waardering van het ondernemingsvermogen slechts is opgenomen voor “de bepaling van de grootte van de verkrijging van A”.

Ook staat in deze mail dat de legitieme portie voor de legitimarissen (de rechtbank begrijpt dat hiermee ook wordt gedoeld op de legatarissen die een legaat hebben ter grootte van de legitieme portie) wordt berekend volgens de wettelijke bepalingen van artikel 4:65 BW.

De rechtbank leidt uit de hiervoor vermelde passages (waaruit een duidelijke samenhang blijkt tussen het legaat van A en de bepaling over de waardering) en de toelichting die de notaris heeft gegeven (die deze samenhangt bevestigt) af dat erflater de verhouding van gedaagde en A ten opzichte van de B.V. heeft willen regelen.

Nogmaals: gedaagde kreeg de aandelen gelegateerd en A kreeg in dat licht een geldbedrag gelijk aan 80% van de intrinsieke waarde van de onderneming.

Erflater wilde graag dat gedaagde zijn onderneming zou voortzetten en deze omstandigheid heeft bij het vastleggen van deze regeling een grote rol gespeeld.

De rechtbank kan niet vaststellen dat erflater met de bepaling over de waardering van het ondernemingsvermogen ook heeft willen vastleggen hoe de legaten van eisers moeten worden gewaardeerd.

Eisers worden niet in de bepaling genoemd en dat worden zij ook niet in de paragrafen ervoor, direct onder het kopje “waardering”.

Integendeel: hierin wordt gesproken over “partijen” (waaronder volgens de notaris de erfgenamen moeten worden verstaan) en “erfgenamen”.

Gedaagden menen terecht dat als het gaat om de legitieme portie, erflater ook niets over de wijze van waardering had kúnnen vastleggen.

Als dat zo zou zijn, zou dat namelijk betekenen dat een erflater bij uiterste wilsbeschikking invloed zou kunnen uitoefenen op de hoogte van de legitieme.

Dat zou de (beschermde) positie van de legitimaris te veel schaden.

De rechtbank zal dus een deskundige benoemen en de zaak naar de rol verwijzen voor uitlating van partijen over de persoon van de deskundige en de vragen die aan de deskundige moeten worden gesteld.

Het heeft daarbij de voorkeur dat partijen in overleg tot een gezamenlijke deskundige komen en als dat niet mogelijk is in ieder geval aangeven tegen welke mogelijke deskundige zij welk bezwaar hebben.

De rechtbank is voorlopig van oordeel dat kan worden volstaan met de benoeming van één deskundige aan wie de volgende vragen moeten worden gesteld:

  1. Wat was de waarde van de aandelen in de B.V. in 2020, de datum waarop erflater is overleden? Moet hierbij rekening worden gehouden met de nog te betalen inkomstenbelasting over de aandelen door het overlijden van erflater en de latente inkomstenbelasting over het doorschuiven van de ab-claim, zoals gedaagden stellen, en wat bedragen deze?
  2. Op basis van welke waarderingsmethode bent u tot deze waarde gekomen en wat maakt dat deze methode volgens u voor de waardering van deze aandelen het meest geschikt is?
  3. Heeft u nog andere opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

Voor de goede orde merkt de rechtbank op dat zij de deskundige bij het verstrekken van de opdracht zal mededelen dat het hem uiteraard vrij staat om de aandelen te waarderen op de manier zoals (toevallig ook) in het testament voor het legaat van A is bepaald, als hem dat juist voorkomt.

Dat zal hij echter niet op grond van uitleg van het testament mogen doen, want dat zou ingaan tegen wat de rechtbank hierover heeft geoordeeld.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige(n) in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd.

Hierbij speelt een rol dat eisers niet hebben betwist dat zij door gedaagden in de gelegenheid zijn gesteld om de aandelen zelf te laten waarderen en dat zij dit hebben nagelaten.

Dit voorschot zal daarom door eisers moeten worden betaald.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.