De Rechtbank Noord-Holland heeft op 6 juli 2022uitspraak gedaan over de wijze van verdeling door de rechter van een nalatenschap.

Eiser en gedaagde zijn de enige kinderen van erflater (hierna de erflater).

Erflater heeft bij testament van 30 juli 1976 over zijn nalatenschap beschikt.

Ingevolge dit testament zijn eiser en gedaagde de enige erfgenamen.

De moeder van partijen is op 7 maart 2000 overleden.

Bij testament d.d. 30 juli 1976 heeft zij haar echtgenoot en kinderen tezamen en voor gelijke delen tot erfgenaam benoemd.

Ook heeft zij in haar testament een ouderlijke boedelverdeling gemaakt waarbij alle tot de nalatenschap behorende baten, schulden, kosten en rechte aan haar echtgenoot zijn toegedeeld onder de verplichting uit te keren aan de andere erfgenamen het bedrag van zijn/haar erfdeel.

De erfdelen zijn opeisbaar na het overlijden van erflater tegen een rentepercentage van 7% per jaar.

Eiser vordert kort samengevat dat de rechtbank de wijze van verdeling van de nalatenschap van erflater vaststelt.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Ouderlijke boedelverdeling. Verdeling door de rechter. Toedeling. Waardebepaling van de woning. Vaststelling en berekening van gebruiksvergoeding.

De rechter oordeelt als volgt.

Voordat de rechtbank toekomt aan het vaststellen van de wijze van verdeling moet eerst worden vastgesteld wat de omvang is van de nalatenschap van erflater.

Partijen zijn het daar maar gedeeltelijk over eens.

Partijen zijn het niet eens over de waarde van de tot de nalatenschap behorende woning en deze zal daarom getaxeerd moeten worden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat de datum van verdeling daarbij als peildatum geldt.

Nadat de woning is getaxeerd zal gedaagde de gelegenheid krijgen de woning voor de getaxeerde waarde over te nemen.

Kan of wil hij dat niet, dan zal de woning aan een derde verkocht moeten worden.

De rechtbank zal in dit vonnis bij de beslissing een uitgebreid stappenplan met termijnen voor het hele traject opnemen.

Daarbij is deels rekening gehouden met hetgeen eiser wijziging eis heeft verzocht, nu gedaagde daar geen verweer tegen heeft gevoerd.

Een en ander betekent dat de primaire vordering van eiser om gedaagde te veroordelen om mee te werken aan verkoop aan de potentiële kopers (betrokkene) zal worden afgewezen.

De subsidiaire vordering zal – onder de voorwaarde dat gedaagde de woning niet over kan of wil nemen – grotendeels worden toegewezen.

Wel zal de rechtbank enkele termijnen aanpassen.

De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen.

Eiser heeft bij die dwangsom geen belang, omdat – zoals onder gevorderd – zal worden bepaald dat dit vonnis in de plaats zal komen van de voor verkoop en levering benodigde wilsverklaring en/of handtekening van gedaagde.

Eiser maakt verder aanspraak op een gebruiksvergoeding als compensatie voor het alleengebruik dat gedaagde heeft van de woning waarvan partijen gezamenlijk eigenaar zijn.

Bij de berekening van de gebruiksvergoeding sluit eiser primair aan bij de huurprijs en subsidiair bij het rendement van de woning, waarbij zij uitgaat van een marktwaarde van € 700.000,-.

Gedaagde betwist dat hij het alleengebruik van de woning heeft gehad, omdat eiser en haar partner regelmatig in de woning kwamen als hij er niet was.

Ook vindt hij de (primair) gevorderde gebruiksvergoeding en de duur daarvan niet redelijk en billijk, omdat het mede aan de weigering van eiser om mee te werken aan doorhaling van de hypotheekstelling te wijten is dat hij de woning nog niet toegedeeld heeft gekregen.

Als hij toch een gebruiksvergoeding verschuldigd is, moet volgens gedaagde aansluiting gezocht worden bij de rendementsleer.

Tot slot wil hij dat de door hem betaalde eigenaarslasten verrekend worden met de gebruiksvergoeding en ook met de kosten die hij heeft moeten maken voor het huren van een opslagbox voor zijn inboedel die hij niet kwijt kon in de woning, omdat de inboedel van erflater nog niet is verdeeld.

De rechtbank overweegt dat het recht op een gebruiksvergoeding volgt uit artikel 3:169 BW.

Volgens jurisprudentie van de Hoge Raad over dat artikel (onder andere: HR 22 december 2000, HR:2000:AA9143 en HR 23 november 2007, HR:2007:BB6176) is een deelgenoot, die een goed met uitsluiting van de andere deelgenoot gebruikt, verplicht die andere deelgenoot die aldus verstoken wordt van het gebruik en genot waarop hij uit hoofde van het deelgenootschap recht heeft, schadeloos te stellen, bijvoorbeeld door het betalen van een gebruiksvergoeding.

Maatstaf daarbij is de redelijkheid en billijkheid, die de rechtsbetrekkingen tussen de deelgenoten in de gemeenschap volgens artikel 3:166 lid 3 BW beheersen.

Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met de omstandigheden van het geval.

Gedaagde woont sinds het overlijden van erflater alleen in de woning waarvan partijen gezamenlijk eigenaar zijn.

Dat eiser en haar partner af en toe de woning binnen zijn gegaan terwijl gedaagde er niet was, valt in het niet bij het voortdurende gebruik dat gedaagde van de woning maakte.

In beginsel moet gedaagde eiser dus schadeloos stellen.

De wetgever heeft geen regels geformuleerd op grond waarvan de hoogte van de gebruiksvergoeding dient te worden vastgesteld.

Aan de rechter komt een grote vrijheid toe om met inachtneming van alle omstandigheden van het geval een redelijke en billijke gebruiksvergoeding te bepalen.

Voor het vaststellen van de gebruiksvergoeding zal de rechtbank in dit geval aansluiten bij de waarde van de woning en het redelijkerwijs door eiser te behalen rendement op het in de woning geïnvesteerde vermogen.

Doordat de woning bij gedaagde in gebruik is en niet kan worden verkocht, kan eiser immers niet beschikken over de helft van de waarde die zij bij verkoop van de woning zou hebben ontvangen.

De rechtbank zal de hoogte van de gebruiksvergoeding daarom vaststellen op een percentage over de helft van de waarde.

Eiser gaat daarbij uit van een waarde van € 700.000,-, terwijl de waarde van de woning volgens gedaagde € 650.000,- is.

Uit de stukken blijkt dat dat de waarde is waartegen gedaagde de woning kort na het overlijden van erflater van eiser mocht overnemen.

Indien dat gebeurd zou zijn, zou eiser de helft van dat bedrag hebben ontvangen en hebben kunnen investeren.

De rechtbank gaat daarom uit van een waarde van € 650.000,-.

Gelet op de rentevergoedingen in de afgelopen anderhalf jaar acht de rechtbank voor het berekenen van een gebruiksvergoeding een rendementspercentage van 2% per jaar redelijk.

De door gedaagde te betalen gebruiksvergoeding komt dan uit op ½ x € 650.000,- x 2% / 12 = € 542,- per maand.

Gedaagde moet die vergoeding betalen vanaf de datum van overlijden erflater tot het moment dat het aandeel van eiser aan hem is geleverd dan wel hij de woning heeft ontruimd ten behoeve van de verkoop en levering aan derden.

Gedaagde stelt terecht dat eiser ingevolge artikel 3:172 BW in beginsel voor de helft in de kosten van de woning moet bijdragen.

Het had echter op de weg van gedaagde gelegen om een duidelijk overzicht van die kosten in het geding te brengen.

Dat heeft hij niet gedaan.

Hij heeft volstaan met verwijzing naar een aantal als productie overgelegde bankafschriften zonder nadere toelichting, waarbij opvalt dat een aantal betalingen zien op gebruikslasten en niet op eigenaarslasten.

De rechtbank zal de eigenaarslasten bij gebrek aan een duidelijke opsomming verder dan ook buiten beschouwing laten en niet verrekenen met de gebruiksvergoeding, zoals gedaagde wenst.

Ook de kosten van de door gedaagde gehuurde opslagbox voor zijn eigen inboedelgoederen zullen niet worden verrekend.

Het is niet alleen aan eiser, maar aan beide partijen te wijten dat de inboedel van erflater nog niet is verdeeld.

Gedaagde heeft zijn vordering bovendien onvoldoende toegelicht.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de waardebepaling van onroerend goed in een nalatenschap of over de vaststelling en berekening van een gebruiksvergoeding, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.