De Rechtbank Amsterdam heeft op 26 mei 2021 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament. Had de erfgenaam met de erfstelling in het testament bedoeld zijn partner te benoemen tot erfgename?

De heer A (hierna: erflater) is op 26 juli 2019 te Amsterdam overleden.

Op 20 november 1968 heeft erflater het appartementsrecht verkregen van het appartement in A.

Erflater heeft bij testament van 7 september 1976 over zijn nalatenschap beschikt.

Bij al haar vorderingen neemt gedaagde tot uitgangspunt dat zij aanspraak heeft op de nalatenschap op grond van de erfstelling in het testament.

De eiser heeft dit uitgangspunt evenwel betwist.

Hij betoogt dat het testament geen gelding meer heeft omdat de daarin opgenomen beschikkingen niet waren bedoeld voor de gewijzigde omstandigheden, net als aan de orde was in de zaak die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013 (HR:2013:911).

Erfrecht. Uitleg van een testament. Gewijzigde omstandigheden? Heeft de erfgenaam met de erfstelling in het testament bedoeld zijn partner te benoemen tot erfgename?

De rechter oordeelt als volgt.

Het testament van erflater is opgemaakt in 1976, vóór inwerkingtreding op 1 januari 2003 van het huidige erfrecht, maar hij is overleden in 2019, dus na deze inwerkingtreding.

De maatstaf voor de uitleg van het testament wordt gegeven door artikel 4:46 BW, dat immers ingevolge art. 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft (Hoge Raad, 18 februari 2011, HR:2011:BO9581).

Artikel 4:46 lid 1 BW bepaalt dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Volgens lid 2 mogen daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

Uitleg van een testament volgens artikel 4:46 BW dient plaats te vinden in twee fasen.

In de eerste fase dient te worden vastgesteld of het testament onduidelijk is (geen duidelijke zin heeft).

Hierbij gaat het niet om een uitsluitend grammaticale methode van uitleg van de tekst van het testament, ook in geval de bewoordingen van het testament op het eerste gezicht volstrekt duidelijk zijn, maar steeds dient rekening te worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en met de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

Tot die omstandigheden behoort ook het recht dat gold toen de uiterste wil werd gemaakt.

Bij de terminologie die erflater heeft gebruikt, is in beginsel het oude recht bepalend (Kamerstukken II, 1999/2000, 26 822, nr. 3, p. 8).

De verhoudingen en omstandigheden hoeven niet uit het testament te blijken.

Indien en nadat in de eerste fase aldus is vastgesteld dat het testament onduidelijk is, dient in de tweede fase van uitlegging te worden achterhaald wat de onduidelijk in het testament verwoorde bedoeling van de erflater is geweest, waarbij dan ook mag worden gelet op daden en verklaringen van erflater buiten het testament.

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen is niet in discussie dat in taalkundige zin het testament duidelijk is.

In op zichzelf heldere bewoordingen heeft erflater in het testament erfgenaam 1 tot enig erfgenaam van zijn nalatenschap benoemd, en in geval van vooroverlijden van haar, haar oudste dochter (gedaagde).

Daarbij heeft erflater toegelicht dat erfgenaam 1 ooit door zijn ouders in hun gezin is opgenomen waardoor zij voor hem als een zuster is.

Tegelijkertijd is niet in geschil dat wat erflater met het testament in de eerste plaats heeft beoogd is dat zijn beide broers, de wettige erfgenamen, niets zouden erven.

Daarnaast staat vast dat erflater toentertijd 41 jaar oud was, niet was gehuwd en geen kinderen had, en dat destijds nog niet de mogelijkheid bestond dat hij zou huwen met iemand van gelijk geslacht.

In dat perspectief moet het er dus voor worden gehouden dat erflater in elk geval de verhouding tot zijn broers bij testament heeft willen regelen.

Gelet daarop en in aanmerking genomen de genoemde omstandigheden waaronder het testament is gemaakt, is niet duidelijk of hij tevens heeft willen regelen dat gedaagde (als oudste dochter van de in het testament benoemde erfgenaam 1) onder alle omstandigheden, zoals de omstandigheden ten tijde van zijn overlijden zoals die hierna aan de orde komen, erfgenaam zou zijn.

Het testament heeft in zoverre geen duidelijke zin, zodat voor uitlegging daarvan daden en verklaringen van erflater, ook van latere datum dan het testament, mogen worden gebruikt.

Als dergelijke daden en verklaringen slaat de rechtbank acht op de samenlevingsovereenkomst, de beide schriftelijke als codicil aangeduide schriftelijke stukken en het huwelijk.

In de samenlevingsovereenkomst heeft erflater met eiser het verblijvingsbeding opgenomen, op grond waarvan de langstlevende van hen gerechtigd is te beschikken over hun gemeenschappelijke goederen en hun privégoederen.

Een wens met dezelfde strekking van erflater, en zijn veronderstelling op basis van de samenlevingsovereenkomst, blijkt uit de beide als codicil aangeduide schriftelijke stukken.

Immers, daarin maakt erflater eerst melding van zijn eerdere testament en de erfstelling aan gedaagde maar vermeldt hij ook dat indien eiser na zijn dood nog in leven is: “hijzelf met prioriteit en uitsluiting van het testament vrijelijk over al mijn bezittingen beschikken.”

Dit herhaalt hij in het tweede schriftelijke stuk, met de zinsnede: “Bij mijn dood, kan [eiser] “AUTOMATISCH” over alle bezittingen als plaatsvervanger beschikken.”

Ten slotte stelt de rechtbank vast dat erflater in 2016 met eiser is getrouwd in gemeenschap van goederen.

Weliswaar heeft eiser mede betoogd dat sprake is van een huwelijk op huwelijkse voorwaarden omdat het verblijvingsbeding als huwelijkse voorwaarde kan worden aangemerkt, maar in dat standpunt kan hij niet worden gevolgd.

Ook al is dit beding vastgelegd in een notariële akte en wordt in zoverre aan het vormvereiste voor een huwelijkse voorwaarde voldaan, dan nog laat dat onverlet dat dit beding is overeengekomen in een geheel andere situatie van gescheiden vermogens van erflater en eiser.

Belangrijker nog is dat dit beding evident niet is overeengekomen met het oog op een huwelijk.

Immers, van het huwelijk was nog helemaal geen sprake, en bovendien bestond voor personen van gelijk geslacht de mogelijkheid om in het huwelijk te treden überhaupt nog niet.

Dit huwelijk in gemeenschap van goederen onderschrijft evenzeer de hiervoor genoemde wens van erflater om, als eiser na zijn dood nog in leven zou zijn, hem over de (door het huwelijk) gemeenschappelijke goederen te laten beschikken.

Resumerend kan worden vastgesteld dat erflater ten tijde van het maken van zijn testament 41 jaar oud was, niet was gehuwd en geen kinderen had.

Onder die omstandigheden zouden zijn broers zijn erfgenamen zijn, hetgeen hij wilde voorkomen.

Toen erflater overleed, nagenoeg veertig jaar na het opmaken van het testament, was erfgenaam 1, degene die hij in zijn testament tot zijn enig erfgename had benoemd, reeds overleden.

Daarnaast waren zijn omstandigheden fundamenteel veranderd.

Hij had toen reeds lange tijd een partner, met wie hij eerst bij notariële akte een samenlevingsovereenkomst had gesloten met daarin een verblijvingsbeding en met wie hij enkele jaren voor zijn dood is getrouwd in gemeenschap van goederen.

Uit deze omstandigheden en zijn beide afgelegde verklaringen blijkt zijn uitdrukkelijke wens en veronderstelling dat indien zijn partner na zijn dood nog in leven zou zijn, deze over al zijn bezittingen zou beschikken.

Aangenomen moet dan ook worden dat het zijn bedoeling ten tijde van het maken van het testament was dat de testamentaire beschikkingen ten gunste van gedaagde uitsluitend golden voor de situatie waarin hij niet gehuwd zou zijn.

Een en ander leidt tot de conclusie dat de in het testament opgenomen beschikkingen niet voor de gewijzigde omstandigheden waren bedoeld en de uiterste wilsbeschikking haar belang had verloren nadat erflater in het huwelijk was getreden.

De erfstelling van gedaagde is dan ook vervallen, zodat gedaagde aan de uiterste wilsbeschikking geen aanspraken kan ontlenen.

Het verweer van eiser ter zake slaagt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.