Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de certificaten van aandelen tot het bezwaarde vermogen behoorden bij een tweetrapsmaking.

Eisers vorderen een verklaring voor recht wordt dat de certificaten van aandelen tot het fideï-commissaire vermogen behoren.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Tweetrapsmaking. Zaaksvervanging. Behoren de certificaten van aandelen tot het bezwaarde vermogen? Stelplicht en bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van de hoofdregel van 150 Rv geldt dat degene die een beroep doet op de rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten of rechten de bewijslast daarvan draagt.

Bij een fideï-commissaire making geldt als uitgangspunt dat hetgeen in de plaats treedt van goederen waarover de bezwaarde bevoegdelijk heeft beschikt, conform de gebruikelijke regels van het goederenrecht onvoorwaardelijk door de bezwaarde wordt verkregen.

Zaaksvervanging biedt vervolgens aan de verwachter(s) bescherming tegen deze ‘gebruikelijke’ regel van het goederenrecht.

Als aan de voorwaarden voor zaaksvervanging is voldaan, wordt het vervangende goed krachtens zaaksvervanging alsnog (voorwaardelijk) door de verwachters verkregen.

Dit brengt met zich dat als uitgangspunt heeft te gelden dat het aan de verwachters is om feiten of rechten te stellen die tot de conclusie kunnen leiden dat een vervangend goed krachtens zaaksvervanging tot het fideï-commissaire vermogen is gaan behoren, en dat zij daarvan de bewijslast dragen.

De verwachters doen immers een beroep op de rechtsgevolgen van die feiten en rechten (i.e. dat zaaksvervanging heeft plaatsgevonden).

Het bepaalde in artikel 3:215 lid 1 BW doet aan deze hoofdregel niet af.

De bewijsbepaling van artikel 3:215 BW ziet er alleen maar op dat de (erfgenamen van) bezwaarde bij het intreden van de voorwaarde moeten bewijzen welke goederen zijn verteerd of door toeval teniet zijn gegaan.

De in deze bepaling neergelegde bewijslastverdeling ziet niet op de vervreemdings-bevoegdheid van artikel 3:212 BW en de daarmee samenhangende regeling van zaaksvervanging van artikel 3:213 BW (zie Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 664).

Tussen partijen is niet in geschil dat de fideï-commissaire voorwaarde nog niet is ingetreden.

De bewijsbepaling van artikel 3:215 BW is in dit geval dus (nog) niet van toepassing.

Het voorgaande betekent dat de stelplicht en bewijslast dat de certificaten van aandelen in tot het fideï-commissaire vermogen behoorden op A c.s. rust.

Naar het oordeel van het hof hebben A c.s niet aan die op hen rustende stelplicht en bewijslast voldaan.

Appellant heeft gemotiveerd betwist dat de aandelen in de B.V. bij de verkrijging met fideï-commissair kapitaal zijn volgestort.

Appellant heeft aangevoerd dat de aandelen pas op 25 oktober 2022 zijn volgestort, en dat niet hij, maar geïntimeerde C het daarvoor benodigde bedrag op de rekening van de B.V. heeft voldaan.

Vervolgens heeft appellant het door geïntimeerde C betaalde bedrag op 27 oktober 2022 aan geïntimeerde C terugbetaald.

Ter onderbouwing van deze stellingen heeft appellant als productie bankafschriften van de B.V. overgelegd en een tweetal bankafschriften.

Uit de bankafschriften van de B.V. blijkt dat de aandelen in 2016 nog niet waren volgestort, terwijl uit de bankafschriften van de bankrekening van geïntimeerde C blijkt dat op 25 oktober 2022 een bedrag van € 7.200,- naar de bankrekening van de B.V. is overgeschreven met als omschrijving ‘volstorting aandelen’, en dat appellant op 27 oktober 2022 een bedrag van € 7.200,- op zijn bankrekening heeft overgeschreven met als omschrijving ‘Regresvordering volstorting aandelen’.

A c.s hebben hier alleen maar tegenover gesteld dat het bedrag van € 7.200,- dat C op 25 oktober 2022 naar de bankrekening van de B.V. heeft overgemaakt afkomstig kan zijn van appellant en dat dus niet vast staat dat C de aandelen heeft volgestort.

Deze stelling hebben zij evenwel niet met nadere feiten geconcretiseerd.

Aldus hebben zij, tegenover de gemotiveerde betwisting door appellant, niet aan de op hen rustende stelplicht voldaan.

Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat de aandelen in de B.V. niet met fideï-commissair kapitaal zijn volgestort, en dat zij reeds om die reden (want los van het moment waarop de volstorting heeft plaatsgevonden) niet krachtens zaaksvervanging tot het fideï-commissair vermogen kunnen zijn gaan behoren.

Dat geldt vervolgens ook voor de certificaten van aandelen, die op hun beurt voor de aandelen in de plaats zijn getreden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.