Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de mogelijkheid van gedwongen schuldtoerekening van een verjaarde geldvordering.

In deze zaak gaat het over de vraag of een deelgenoot kan verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend wat deze aan de gemeenschap schuldig is vanwege een geldvordering waarvan de rechtsvordering tot betaling is verjaard.

Erfrecht. Verdeling van een nalatenschap. Verrekening. Gedwongen schuldtoerekening van een verjaarde geldvordering. Achterstallige rente. Natuurlijke verbintenis. Toetsingskader.

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 3:184 lid 1 BW bepaalt dat een deelgenoot bij een verdeling kan verlangen dat op het aandeel van een andere deelgenoot wordt toegerekend wat die andere deelgenoot aan de gemeenschap schuldig is.

In deze zaak leidt dat concreet tot de vraag: kan appellant bij een verdeling van de ontbonden huwelijksgemeenschap verlangen dat op het aandeel van geïntimeerde in die gemeenschap wordt toegerekend wat zij aan de gemeenschap schuldig is vanwege rente op de geldlening die geïntimeerde niet heeft betaald, maar waarvan de rechtsvordering tot betaling is verjaard (achterstallige rente over de jaren tot en met 2014)?

Geïntimeerde stelt dat zij tot 2003 de rente heeft betaald en daarna niet meer.

Appellant betwist dat geïntimeerde de rente tot 2003 heeft betaald.

Geïntimeerde heeft in dit geval de bewijslast van haar stelling dat zij tot 2003 rente heeft betaald.

Zij biedt geen bewijs aan, zodat het hof ervan uitgaat dat zij nooit rente heeft betaald.

Volgens de berekening van appellant bedraagt de achterstallige rente over 1999-2014 in totaal € 185.528,84.

Geïntimeerde heeft die berekening niet betwist.

Als de achterstallige rente mee zou tellen bij de toerekening op het aandeel van geïntimeerde in de ontbonden huwelijksgemeenschap, heeft dat tot gevolg dat ook de rente over die rente meetelt (samengestelde rente) en dat de totale vordering (hoofdsom en rente) dan op 1 oktober 2024 volgens de niet weersproken berekening van appellant € 627.528,01 bedraagt.

In de rechtsgeleerde literatuur en in de lagere rechtspraak wordt de vraag of toerekening ook mogelijk is bij een schuld waarvan de rechtsvordering tot betaling is verjaard verschillend beantwoord.

De Hoge Raad heeft tot nog toe nooit over deze vraag geoordeeld.

Dit hof heeft eerder steeds geoordeeld dat ook toerekening van de natuurlijke verbintenis die overblijft na verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van die verbintenis mogelijk is.

Het hof brengt op die lijn in deze zaak een nuance aan en oordeelt dat appellant in dit geval niet kan verlangen dat op het aandeel van geïntimeerde in de ontbonden huwelijksgemeenschap ook wordt toegerekend wat zij aan de gemeenschap schuldig is vanwege rente op de geldlening die geïntimeerde niet heeft betaald, maar waarvan de rechtsvordering tot betaling is verjaard (achterstallige rente over de jaren tot en met 2014).

Het hof zal de vordering van appellant in hoger beroep dan ook afwijzen.

De woorden ‘aan de gemeenschap schuldig’ in artikel 3:184 lid 1 BW kunnen naar de letter ook omvatten wat een deelgenoot aan de gemeenschap schuldig is vanwege de natuurlijke verbintenis die is overgebleven na verjaring van de rechtsvordering tot nakoming van die verbintenis (artikel 6:3 lid 1 en lid 2 onder a BW).

De tekst van de wet verwoordt dat het gaat om wat een deelgenoot schuldig is en maakt daarbij geen verschil tussen rechtens afdwingbare (‘civiele’) verbintenissen en natuurlijke (rechtens niet-afdwingbare) verbintenissen.

De wetsgeschiedenis van artikel 3:184 BW biedt geen aanknopingspunten voor een antwoord op de vraag of de woorden ‘aan de gemeenschap schuldig’ ook rechtens niet-afdwingbare verbintenissen betreft.

De strekking van artikel 3:184 BW is dat een vordering van een gemeenschap op een deelgenoot ook tegen diens wil aan die deelgenoot kan worden toegedeeld, ongeacht de gegoedheid van die deelgenoot.

Vervolgens gaat die schuld door vermenging teniet (artikel 6:161 BW).

Uit die strekking is niet af te leiden of de zinsnede ‘aan de gemeenschap schuldig’ alleen rechtens afdwingbare verbintenissen betreft of ook rechtens niet-afdwingbare.

Het hof merkt op dat de wet natuurlijke verbintenissen zoveel mogelijk hetzelfde behandelt als rechtens afdwingbare verbintenissen.

Dat uitgangspunt is af te leiden uit artikel 6:4 BW dat bepaalt dat op natuurlijke verbintenissen de wettelijke bepalingen over verbintenissen van overeenkomstige toepassing zijn, tenzij de wet of haar strekking meebrengt dat een bepaling geen toepassing mag vinden op een niet-afdwingbare verbintenis.

Met de wettelijke bepalingen over verbintenissen zijn strikt genomen de regels in titel 1 van Boek 6 BW (‘Verbintenissen in het algemeen’) bedoeld en niet zozeer artikel 3:184 lid 1 BW en de woorden ‘aan de gemeenschap schuldig’.

Daarmee is nog niet gezegd dat het uitgangspunt (natuurlijke verbintenissen zoveel mogelijk hetzelfde behandelen als rechtens afdwingbare verbintenissen) hier niet geldt.

Het hof geeft toepassing aan dit uitgangspunt en oordeelt dan als volgt.

Artikel 3:184 lid 1 BW maakt het mogelijk bij een verdeling betaling af te dwingen van een vordering op een deelgenoot.

Uit de strekking van deze bepaling kan worden afgeleid dat deze bij een natuurlijke verbintenis – die nu juist als hoofdkenmerk heeft dat zij rechtens niet afdwingbaar is – in beginsel buiten toepassing moet blijven.

In de rechtspraak is eerder geoordeeld dat er een reden is van dat beginsel af te wijken voor de natuurlijke verbintenis die overblijft na verjaring van de rechtsvordering.

De reden is dat artikel 3:184 BW weliswaar geen verrekening in de zin van artikel 6:127 en volgende BW is, maar wel een daarmee vergelijkbare rechtsfiguur en dat een overeenkomstige toepassing van artikel 6:131 lid 1 BW betekent dat ook de natuurlijke verbintenis die overblijft na verjaring van de rechtsvordering kan worden toegerekend volgens artikel 3:184 lid 1 BW.

Tussen de verrekening van artikel 6:127 BW en de gedwongen schuldtoerekening van artikel 3:184 lid 1 BW bestaan overeenkomsten.

Beide bepalingen gaan over het betalen van een schuld met ‘iets’ wat daartegenover staat.

Artikel 6:127 BW maakt het mogelijk een schuld aan een schuldeiser te betalen met een vordering op diezelfde schuldeiser; volgens artikel 3:184 lid 1 BW kan een deelgenoot afdwingen dat de schuld van een andere deelgenoot aan de gemeenschap (‘de schuldeiser’) als het ware kan worden betaald met het aandeel van die deelgenoot in de gemeenschap.

Bij de verrekening van artikel 6:127 BW is het ook mogelijk een schuld aan een schuldeiser te betalen met een verjaarde vordering.

Artikel 6:131 lid 1 BW bepaalt immers dat de bevoegdheid tot verrekening ook na verjaring van de rechtsvordering blijft bestaan.

Daarbij geldt wel dat die bevoegdheid er op enig moment moet zijn geweest: de bevoegdheid tot verrekening moet zijn ontstaan voordat de verjaringstermijn van de te verrekenen vordering is verstreken.

Er is naar het oordeel van het hof aanleiding om die regel ook bij artikel 3:184 lid 1 BW toe te passen.

Voor gedwongen toerekening van verjaarde vorderingen is dan plaats, als maar op enig moment voordat de verjaring was voltooid de bevoegdheid tot gedwongen schuldtoerekening heeft bestaan.

Aan die voorwaarde is in deze zaak niet voldaan.

Appellant en geïntimeerde zijn door het overlijden van erflaatster op 25 februari 2020 samen deelgenoot geworden in de ontbonden huwelijksgemeenschap van hun moeder en in haar nalatenschap.

Op zijn vroegst is dus pas op 25 februari 2020 de bevoegdheid van appellant ontstaan te verlangen dat de schulden van geïntimeerde aan de ontbonden huwelijksgemeenschap op haar aandeel in die gemeenschap worden toegerekend.

Omdat op dat tijdstip de rechtsvordering tot betaling van de rente over de lening tot en met 2014 al was verjaard is er nooit een moment geweest dat de rechtsvordering nog niet was verjaard en de bevoegdheid tot schuldtoerekening al wel bestond.

Het is in dit geval nog denkbaar dat uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid die tussen deelgenoten gelden (artikel 6:166 lid 3 BW) zou voortvloeien dat appellant anders dan hiervoor is geoordeeld toch mag verlangen dat ook de verjaarde vorderingen worden toegerekend op het aandeel van geïntimeerde in de ontbonden huwelijksgemeenschap.

De reden daarvoor zou kunnen zijn dat het hier gaat om een vordering uit geldlening van een vader (erflater) aan zijn dochter (geïntimeerde).

In familierelaties als deze kan – anders dan in een zakelijke relatie tussen derden het geval zou zijn – doorgaans niet worden verwacht dat een vader tijdens leven rechtsmaatregelen tegen zijn dochter zal treffen (stuiting van verjaring en inning in rechte).

Dat zou die familierelatie ernstig in gevaar kunnen brengen.

Tussen ouders en kinderen worden onder normale omstandigheden ook zelden rechtsmaatregelen getroffen.

Een geldlening tussen ouders en kinderen wordt wel gezien als een voorschot op het erfdeel.

Uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid zou dan kunnen voortvloeien dat die vordering, ook als de rechtsvordering tot betaling daarvan bij gebreke van rechtsmaatregelen van de vader tegen de dochter bij leven is verjaard, alsnog bij de afwikkeling van de nalatenschap van de vader en de door zijn overlijden ontbonden huwelijksgemeenschap wordt meegenomen door toerekening op het aandeel van de dochter in die gemeenschap.

Het hof ziet in dit geval daarvoor geen aanleiding.

Erflater heeft in zijn testament uitdrukkelijk rekening gehouden met het vervallen van het erfgenaamschap van geïntimeerde.

Uiteindelijk is geïntimeerde geen erfgenaam van erflater.

De geldlening en de daarover verschuldigde rente zijn in dat geval juist niet te beschouwen als een voorschot op haar erfdeel.

Bovendien betreft het hier een geldlening met een zakelijke achtergrond – de financiering van aandelen in een BV – en hebben erflater en geïntimeerde de voorwaarden van die geldlening, in het bijzonder de betaling van rente en de aflossing uit de winstuitkeringen (dividenden) op de aandelen – nauwgezet vastgelegd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.