De Rechtbank Rotterdam heeft op 4 augustus 2021 uitspraak gedaan over het moment van waardering van goederen bij de verdeling van een de nalatenschap.

Gelet op de stellingen is tussen partijen in geschil tegen welke waarde de eventuele toedeling van het appartement aan eiser dient plaats te vinden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat bij toedeling van het appartement aan hem afgeweken dient te worden van het uitgangspunt dat het moment van feitelijke verdeling de peildatum is.

In het kader van de redelijkheid en billijkheid zou volgens eiser een eerdere peildatum moeten worden gekozen.

Eiser voert daartoe aan dat gedaagde de verdeling op oneigenlijke gronden heeft getraineerd waardoor de lopende kosten een aanzienlijke hap uit de erfenis hebben genomen.

Gedaagde heeft hiertegen aangevoerd vast te willen houden aan de waarde per datum van de feitelijke verdeling.

Zij meent dat de vertraging in de afwikkeling van de nalatenschap juist aan eiser te wijten is.

Erfrecht. Verdeling van nalatenschap. Onroerend goed. Hoofdregel van waardering van de boedel. Peildatum. Moment van feitelijke verdeling. Afwijking van hoofdregel wegens redelijkheid en billijkheid? Belangenafweging bij toedeling.

De rechter oordeelt als volgt.

Als hoofdregel geldt voor de waardering het moment van de feitelijke verdeling.

Dit is alleen anders als partijen een andere datum zijn overeengekomen of als op grond van de redelijkheid en billijkheid een andere datum moet gelden (Hoge Raad 12 mei 1989, NJ 1989/615).

De rechtbank oordeelt dat er geen reden is voor afwijking van de hoofdregel.

Door eiser zijn geen omstandigheden aangevoerd die er toe leiden dat een andere peildatum gehanteerd moet worden.

Dat partijen niet eerder tot verdeling hebben kunnen komen, is niet enkel te wijten aan gedaagde, zoals eiser heeft betoogd.

Zoals gedaagde terecht heeft gesteld, blijkt uit de overgelegde correspondentie dat partijen in april 2019 (en ook daarna), ondanks verdelingsvoorstellen over en weer, geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de verdeling.

Onder deze omstandigheid kan niet worden gezegd dat gedaagde trainerend zou hebben gehandeld.

De waardestijging van het appartement in de afgelopen twee jaar is evenmin reden om af te wijken van de hoofdregel.

Bij conclusie na deskundigenbericht heeft gedaagde aangegeven van mening te zijn dat de getaxeerde waarde van € 415.000,- (met waarde-peildatum 16 maart 2021) gezien de huidige woningmarkt aan de lage kant is, maar om haar moverende redenen in het kader van deze procedure te kunnen instemmen met de getaxeerde waarde.

De rechtbank is van oordeel dat door de deskundige bij de waardering met de huidige woningmarkt rekening is gehouden.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een middeling tussen de taxatiewaarde die eerder is vastgesteld (€ 280.000,-) en de door de deskundige bindend vastgestelde waarde van € 415.000,-.

Gelet op het voorgaande zal de koopprijs van het appartement door de rechtbank worden vastgesteld op € 415.000,-.

Zoals partijen op 23 november 2020 zijn overeengekomen dient eiser binnen twee weken na heden te laten weten of hij het appartement voor die prijs wil afnemen.

In het bevestigende geval heeft hij vervolgens drie maanden de tijd om voor financiering van de koopprijs te zorgen en de levering te laten plaatsvinden.

De prijs zal ‘kosten koper’ zijn.

Eiser mag de notaris kiezen.

Indien eiser er niet voor kiest het appartement voor de koopprijs van € 415.000,- af te nemen of indien hij er niet in slaagt om de financiering rond te krijgen, zal het appartement door de taxerende makelaar op de markt worden gebracht.

In dat geval zal de makelaar de vraag- en laatprijs bindend vaststellen.

Zowel eiser als gedaagde vordert toedeling van het vakantiehuisje aan henzelf.

Beoordeeld zal daarom worden aan wie het vakantiehuisje dient te worden toebedeeld.

De vraag aan wie het vakantiehuisje dient te worden toebedeeld wordt beantwoord aan de hand van een belangenafweging.

Eiser heeft ter zitting gesteld dat hij het vakantiehuisje toebedeeld wil krijgen, omdat met erflaters de afspraak is gemaakt dat het vakantiehuisje, dat reeds eerder jarenlang eigendom van hem is geweest, na het overlijden van erflaters weer zijn economisch eigendom zou worden.

Eiser stelt ruim 20 jaar het onderhoud van voornamelijk de tuin voor erflaters gedaan te hebben en een geschiedenis van 46 jaar op het recreatieoord te hebben.

De veronderstelling van gedaagde dat hij het vakantiehuisje alleen uit rancune wil overnemen betwist hij.

Gedaagde stelt belang bij het vakantiehuisje te hebben omdat zij het wil doorgeven aan haar kinderen. Het was de wens van erflater dat het vakantiehuisje in de familie zou blijven en op den duur naar de kleinkinderen zou gaan.

Gedaagde stelt dat het zeer onwenselijk is als het vakantiehuisje aan eiser wordt toebedeeld, omdat toedeling aan eiser tot een zeer gespannen en ongemakkelijke verhouding zou leiden op het recreatieoord gezien de slechte verstandhouding tussen partijen.

Eiser betwist dat dit tot problemen zou leiden. Niet alleen hoeven partijen elkaar niet tegen te komen, de afstand tussen de huisjes schat hij op 500 meter, maar ook heeft eiser een goede band met de zoon van gedaagde.

Aan de stelling van gedaagde dat het de wens van erflater was dat het vakantiehuisje naar de kleinkinderen zou gaan, wordt voorbijgegaan. Van een dergelijke wens of afspraak is niet gebleken.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de stellingen van partijen dat het belang van eiser bij de toedeling van het vakantiehuisje aan hem groter is dan dat van gedaagde, zodat de vordering van eiser toewijsbaar is.

Gedaagde, die heeft erkend dat het vakantiehuisje eerder op naam van eiser was gesteld, heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat eiser er afstand van had gedaan ten behoeve van erflaters met de afspraak dat het vakantiehuisje daarna weer aan hem zou toekomen.

Onweersproken is dat eiser een geschiedenis van 46 jaar op het recreatieoord heeft en er geregeld verbleef.

Gedaagde, zo die een vergelijkbare band met het recreatieoord heeft, heeft op dat recreatieoord een eigen vakantiehuisje.

Het vakantiehuisje zal daarom aan eiser worden toebedeeld tegen de inbreng in de nalatenschappen van een bedrag van € 25.000,-

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de peildatum van waardering van goederen uit de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.