De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 13 januari 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een vermakingsbeding in een echtscheidingsconvenant nietig was.
Eiseres legt aan haar primaire vorderingen ten grondslag dat erflater wanprestatie heeft gepleegd door na te laten de woning bij testament aan haar te vermaken, zoals bedongen in het echtscheidingsconvenant.
Gedaagde is als enig erfgenaam gehouden om die verplichting alsnog na te komen.
Erfrecht. Vermakingsbeding in een echtscheidingsconvenant. Beding nietig? Testeervrijheid. Conversie?
De rechter oordeelt als volgt.
Gelet op het tussen partijen gevoerde debat ziet de rechtbank zich eerst voor de vraag gesteld of erflater toerekenbaar tekort is geschoten jegens eiseres door haar de woning niet bij uiterste wilsbeschikking na te laten.
Gezien het verweer ligt daarbij thans ter beoordeling voor de vraag of het beding waarbij hij zich daartoe jegens eiseres heeft verplicht nietig is.
De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.
Het beding moet worden gekwalificeerd als overeenkomst waarbij erflater zich jegens eiseres heeft verbonden om op een bepaalde wijze te beschikken in zijn testament, namelijk door de woning testamentair aan haar te vermaken.
In het echtscheidingsconvenant zelf wordt (nog) niet over het goed – de woning – beschikt, waarbij het rechtsgevolg dan zijn gekoppeld aan het overlijden: partijen spraken uitdrukkelijk af dat dit bij testament zou worden geregeld.
Van een quasi-legaat (een verblijvensbeding) als bedoeld in artikel 4:126 lid 2, aanhef en onder a, BW is dan ook, anders dan eiseres tijdens de mondelinge behandeling heeft gesteld, geen sprake.
Uit artikel 4:4 lid 1 BW volgt dat een vóór het openvallen van een nalatenschap verrichte rechtshandeling nietig is, voor zover zij de strekking heeft een persoon te belemmeren in zijn vrijheid om bevoegdheden uit te oefenen, welke hem krachtens dit boek met betrekking tot die nalatenschap toekomen.
Dit artikel beoogt uitdrukkelijk om belemmeringen in het testeren tegen te gaan.
Dientengevolge is nietig de overeenkomst, waarbij iemand zich jegens een ander verbindt tot het maken of het niet maken van een uiterste wilsbeschikking.
Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank sprake, nu erflater door dit beding in zijn testeervrijheid werd beperkt.
Nakoming van het beding zou immers inhouden dat erflater niet in vrijheid een uiterste wilsbeschikking met de door hem gewenste inhoud zou kunnen opmaken, en evenmin dat hij er voor zou kunnen kiezen om géén uiterste wilsbeschikking op te maken.
Dat leidt tot de conclusie dat sprake is van een nietig beding.
Voor het geval de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het beding nietig is op grond van artikel 4:4 BW, heeft eiseres zich erop beroepen dat partijen steeds de bedoeling hebben gehad de woning na te laten c.q. toe te delen aan eiseres.
Gezien deze partijbedoeling converteert het nietige beding op grond van artikel 3:42 BW van rechtswege in een overeenkomst welke eiseres een vorderingsrecht geeft op de nalatenschap van erflater.
Gedaagde heeft aangevoerd dat eiseres niet heeft aangetoond dat de afspraak over de testamentaire vermaking is gebaseerd op een uit het huwelijk dan wel de echtscheiding voortkomende vordering van eiseres op erflater, zodat geen andere rechtshandeling valt aan te wijzen voor conversie.
Hij wijst nadrukkelijk op de bepalingen in het echtscheidingsconvenant over de overbedeling en de finale kwijting.
Gedaagde heeft er ook op gewezen dat uit de correspondentie met de toenmalige raadsman van eiseres en erflater volgt dat zij de onderhavige overeenkomst hebben gesloten in de wetenschap dat sprake was van een nietig beding.
Of het nietige beding in aanmerking komt voor conversie dient te worden beoordeeld aan de hand van artikel 3:42 BW.
Aan een nietige rechtshandeling komt de werking van een andere, geldige, rechtshandeling toe, indien de strekking van de nietige rechtshandeling in een zodanige mate aan die van de andere rechtshandeling beantwoordt, dat aangenomen moet worden dat die andere rechtshandeling zou zijn verricht, zo van de eerstgenoemde handeling wegens haar nietigheid was afgezien.
Uit het arrest van de Hoge Raad (HR) van 22 november 2002, HR:2002:AE8185, volgt dat de tekst en de strekking van artikel 3:42 BW meebrengen dat voor toepassing van die bepaling voldoende is dat ‘aangenomen moet worden’, objectief gezien, dat de strekking van de nietige rechtshandeling in voldoende mate beantwoordt aan die van een andere, vervangende rechtshandeling.
Tot die toepassing is de rechter ambtshalve bevoegd.
Dat degene die zich op conversie beroept, moet stellen en met argumenten staven welke overeenkomst partijen zouden hebben gesloten als zij zich bewust zouden zijn geweest van de ongeldigheid van de door hen gesloten overeenkomst, is onjuist.
Dat laat echter onverlet dat het in strijd is met artikel 3:42 BW om een nietige overeenkomst om te zetten in een overeenkomst die partijen, naar moet worden aangenomen, niet zouden hebben gesloten als zij zich van de nietigheid van de gesloten overeenkomst bewust zouden zijn geweest.
Uit dat arrest volgt weliswaar dat slechts een beperkte betekenis kan worden toegekend aan de partijbedoeling, doch in het geval dat – zoals hier aan de orde – partijen een beding met een bepaalde strekking overeenkomen in de uitdrukkelijke wetenschap dat dit niet afdwingbaar c.q. nietig is, kan niet worden geconcludeerd dat aan de toepassingsvereisten van artikel 3:42 BW is voldaan.
Daarmee is immers onverenigbaar het uitgangspunt van de regeling dat inhoudt dat men een alternatieve, wel geldige, rechtshandeling zou hebben verkozen boven de nietigheid.
Aan de tijdens de mondelinge behandeling door de raadsman van eiseres ingenomen stelling dat zij niet van de nietigheid op de hoogte zou zijn geweest, gaat de rechtbank voorbij.
Zij heeft de betreffende correspondentie zelf bij dagvaarding overlegd, zonder daarbij op te merken dat zij die niet zou hebben ontvangen, en ook uit de e-mailwisseling met de toenmalige raadsman van partijen uit november 2017 lijkt te volgen dat zij daarvan op de hoogte was.
Nu zij niet zelf op de zitting is verschenen om de feiten in dit verband nader toe te lichten, gaat de rechtbank aan die niet nader onderbouwde stelling van de raadsman voorbij.
Dat betekent dat het nietige vermakingsbeding niet kan worden geconverteerd in een geldige rechtshandeling, zodat daarvan geen nakoming kan worden gevorderd.
Uit het voorgaande volgt dat geen sprake kan zijn van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van het echtscheidingsconvenant, zodat de daarop gebaseerde stellingen – waaronder de gestelde onrechtmatige daad van gedaagde bestaande uit het profiteren van de wanprestatie van erflater – van eiseres falen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de uitleg van een beding, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.