De Rechtbank Gelderland heeft op 22 maart 2023 uitspraak gedaan over de vraag of een koopovereenkomst kon worden vernietigd vanwege benadeling van de schuldeisers van de nalatenschap.

Eisers en gedaagde zijn de nu nog in leven zijnde kinderen van vader en moeder.

Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd.

Vader is op 25 februari 2008 overleden.

In zijn testament van 28 april 2004 heeft hij de wettelijke verdeling op zijn nalatenschap van toepassing verklaard.

Moeder is in de ouderlijke woning (hierna : de woning) blijven wonen.

Op enig ogenblik is op het erf van de woning een mantelzorgunit geplaatst waar gedaagde 2 en zijn echtgenote (gedaagde 3) en hun gezin hun intrek hebben genomen.

Bij akte van levering van 15 mei 2018 heeft moeder buiten medeweten van eisers de woning verkocht en geleverd aan gedaagde 2 voor een bedrag van € 172.000,00.

In die akte van levering staat dat is overeengekomen dat de koopsom wordt verrekend met de vordering die gedaagde 2 heeft op moeder wegens het overlijden van vader.

Deze vordering is in de akte gesteld op een bedrag van € 53.975,00, inclusief 6% rente.

Van het resterende bedrag heeft gedaagde 2 € 50.000,00 aan koopsom aan moeder betaald.

Een bedrag groot € 68.025,00 is volgens de akte door moeder kwijtgescholden.

Moeder is thans hulpbehoevend en volledig afhankelijk van de praktische hulp en zorg die gedaagden haar verlenen.

Gedaagden hebben tot en met 31 maart 2021 de financiën van moeder beheerd.

Vanwege haar geestelijke en/of lichamelijke toestand is op 31 maart 2021 de bewindvoerder over de goederen van moeder benoemd.

Bij vonnis in incident van 29 september 2021 zijn gedaagden op vordering van de bewindvoerder veroordeeld om op straffe van verbeurte van een dwangsom rekening en verantwoording af te leggen over alle kasopnames en overboekingen met betrekking tot alle bankrekeningnummers van moeder zoals genoemd in de dagvaarding vanaf omstreeks eind 2017 tot en met 31 maart 2021.

Eisers hebben de nietigheid ingeroepen van de verkoop en levering van de woning aan gedaagde 2.

Erfrecht. Vernietiging van een koopovereenkomst. Is de verkoop van de woning door moeder aan zoon paulianeus? Benadeling van schuldeisers? Onverplichte rechtshandeling? Terugbetaling koopsom? Terugwerkende kracht van de vernietiging.

De rechter oordeelt als volgt.

Het eerste lid van artikel 3:45 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een rechtshandeling vernietigbaar is, indien een schuldenaar bij het verrichten van een onverplichte rechtshandeling wist of behoorde te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden het gevolg zou zijn.

De vernietigingsgrond kan worden ingeroepen door iedere door de rechtshandeling in zijn verhaalsmogelijkheden benadeelde schuldeiser, onverschillig of zijn vordering vóór of na de handeling is ontstaan.

Het tweede lid bepaalt dat een rechtshandeling anders dan om niet, die hetzij meerzijdig is, hetzij eenzijdig en tot een of meer bepaalde personen gericht, wegens benadeling slechts kan worden vernietigd, als ook degenen met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte, wisten of behoorden te weten dat daarvan benadeling van een of meer schuldeisers het gevolg zou zijn.

Het beroep van eisers op deze bepaling slaagt.

Bij de verkoop van de woning aan gedaagde 2 is naar het oordeel van de rechtbank sprake geweest van een onverplichte rechtshandeling.

Gedaagde 2 heeft aangevoerd dat de verkoop plaats heeft gevonden in de context van de door hem en zijn echtgenote aan moeder verleende mantelzorg.

Met de verkoop van de woning heeft moeder langdurige verzorging door gedaagden ‘ingekocht’ en was haar opname in een bejaardentehuis of een verpleeghuis niet nodig.

Daarmee is een jaarlijkse afname van haar vermogen met een bedrag tussen de € 50.000,00 en € 150.000,00 voorkomen, zo heeft gedaagde 2 aangevoerd.

Zou gedaagde 2 daarmee wil stellen dat de verkoop en levering van de woning aan hem niet een onverplichte rechtshandeling is geweest, dan wordt het volgende overwogen.

Mantelzorg is het onbetaald verlenen van hulp aan een naaste.

Van het ‘inkopen’ van mantelzorg kan daarom geen sprake zijn.

Vast staat dat voor de zorg die gedaagde 2 en zijn echtgenote aan moeder verlenen een persoonsgebonden budget (PGB) wordt uitgekeerd.

Gedaagden ontvangen dus al een vergoeding voor de zorg die zij aan moeder verlenen.

Bij de berekening van de eigen bijdrage bij opname in een verpleeghuis of andere zorginstelling wordt geen rekening gehouden met de waarde van een eigen woning.

Het verweer dat met de bij gedaagden ‘ingekochte’ zorg een jaarlijkse afname van het vermogen van moeder van tussen € 50.000,00 en € 150.000,00 wordt voorkomen, houdt geen stand.

Dit leidt tot het oordeel dat voor de verkoop en levering van de woning aan gedaagde 2 geen rechtsplicht bestond.

Vast staat dat eisers een vordering op moeder hebben ter grootte van hun erfdeel uit de nalatenschap van vader.

Hun vordering kan volgens hen op het moment van overlijden van vader aan de hand van de aangifte erfbelasting worden gesteld op een bedrag van € 33.859,00, te vermeerderen met 6% rente per jaar.

Moeder en gedaagde 2 hebben in hun conclusie van antwoord primair aangevoerd dat de aangifte erfbelasting onvoldoende grondslag biedt voor de berekening van het erfdeel en subsidiair hebben zij de door eisers berekende hoogte van het erfdeel betwist.

Aan deze verweren wordt voorbijgegaan.

Gedaagde 2 en moeder hebben in de akte van 15 mei 2018 het erfdeel van gedaagde 2 vermeerderd met rente op dat moment begroot op een bedrag van € 57.968,73.

Dat betekent dat de vorderingen van eisers op het moment van de verkoop en levering van de woning kunnen worden begroot op in ieder geval ongeveer € 115.000,00.

Vast staat dat deze vorderingen niet kunnen worden voldaan uit het spaargeld van moeder, voor zover nog aanwezig.

Het mag zo zijn dat de vorderingen van de kinderen pas na het overlijden van moeder opeisbaar zijn, dat betekent niet dat eisers geen schuldeiser van moeder zijn.

Omdat zij schuldeiser zijn, zijn zij gerechtigd de nietigheid van de verkoop en levering van de woning in te roepen.

De vordering van gedaagde en eiser is weliswaar pas opeisbaar bij het overlijden van moeder, maar de aard van de vordering brengt mee dat deze ook daadwerkelijk op enig moment opeisbaar zal worden door dit overlijden.

Door de verkoop van de woning aan gedaagde zijn eisers benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden.

Daardoor is immers het belangrijkste bestanddeel waarop zij zich alsdan zouden kunnen verhalen uit het vermogen van moeder geraakt.

Een groot deel van de koopprijs werd door moeder kwijtgescholden.

In plaats van een volledig onbelaste woning beschikte moeder nog slechts over een spaarrekening en een betaalrekening met in totaal enige tienduizenden euro’s.

Dit saldo is sindsdien verminderd tot enige duizenden euro’s ten gevolge van opnames door gedaagde.

Feitelijk komt het erop neer dat moeder op dit moment nauwelijks nog over enig vermogen beschikt.

Ze heeft vrijwel al haar inkomsten nodig voor de lopende uitgaven.

Het spreekt voor zich dat hierdoor de mogelijkheid voor eisers om zich voor het betaald krijgen van hun vordering op die woning of op de door de verkoop gegenereerde opbrengst te verhalen volledig is teniet gegaan, nog daargelaten dat het zeer de vraag is of voor de woning een reële prijs is betaald.

Het is buiten twijfel dat gedaagde 2 wist of behoorde te weten dat door de verkoop en levering eisers werden benadeeld.

Uit de door moeder in het geding gebrachte producties blijkt overigens dat moeder en gedaagde 2 er uitdrukkelijk voor waren gewaarschuwd dat door de verkoop en levering van de woning aan gedaagde 2 de andere kinderen benadeeld zouden worden.

In zijn e-mail van 18 juni 2021 heeft notaris H erop gewezen dat hij zowel bij het verlijden van de leveringsakte als bij eerdere gesprekken moeder en gedaagde uitdrukkelijk heeft voorgehouden dat de beide andere kinderen wellicht tekort gaan komen in hun legitieme porties, dat dit goed werd begrepen en dat ook de accountant dit met moeder en gedaagde 2 heeft besproken.

Dit alles leidt tot het oordeel dat met de verkoop en levering van de woning sprake is geweest van een paulianeuze handeling.

Eisers hebben aangevoerd dat zij op 17 februari 2020 deze rechtshandeling hebben vernietigd, maar geen buitengerechtelijke verklaring in het geding gebracht waar dat uit blijkt.

De rechtbank zal daarom zelf de vernietiging van de rechtshandeling strekkende tot verkoop en levering van de betreffende woning en grond uitspreken.

Vernietiging van een rechtshandeling heeft terugwerkende kracht tot het moment waarop de vernietigde rechtshandeling is verricht.

Dit betekent dat de koop- en schenkingsovereenkomst geacht worden nooit tot stand te zijn gekomen.

Gevolg hiervan is dat een geldige titel voor levering van de woning ontbreekt, zodat de levering aan gedaagde 2 geen effect heeft gehad en de woning achteraf gezien het vermogen van de vervreemder, moeder, nooit heeft verlaten.

Een achteraf gezien onjuiste inschrijving in de openbare registers maakt dat niet anders.

Terug levering is dus niet nodig.

Dit vonnis kan worden ingeschreven in de openbare registers.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.