Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Den Haag heeft op 19 februari 2019 uitspraak gedaan in een geschil tussen de vader en diens kinderen over de afgifte van de as van de buiten de vader om gecremeerde moeder.
Wet op de lijkbezorging en de verhouding tot de uiterste wil. In het (niet herroepen) testament van de moeder uit 1992 is de vader benoemd als degene die zorg draagt voor de crematie. Hof acht dat doorslaggevend. De kinderen worden veroordeeld mee te werken aan afgifte van de as aan vader.
De vader is in 1965 gehuwd met de moeder. De moeder leed sinds 2012 aan vasculaire dementie. Vanaf begin 2014 was er sprake van ernstige dementie. De vader heeft tot 28 oktober 2014 voor de moeder gezorgd.
Geïntimeerde heeft op voormelde datum haar moeder mee naar haar huis genomen. Een paar maanden nadien is de moeder opgenomen in een verzorgingstehuis. Over deze opname is de vader niet geïnformeerd.
Bij beschikking van de rechtbank Den Haag is de ondercuratelestelling over de moeder uitgesproken, met benoeming van de stichting CAV tot curator.
De vader heeft in juni 2015 tweemaal een bezoek gebracht aan het verzorgingshuis. Op 24 juni 2015 heeft de aan het verzorgingstehuis verbonden psycholoog een bezoekverbod voor de vader geadviseerd.
Volgens deze psycholoog was het huwelijk slecht en was er sprake van fysieke en geestelijke mishandeling.
Op 3 maart 2016 heeft de vader een toegangsverbod gekregen tot het verzorgingstehuis aangezien dit in het belang werd geacht van de moeder.
Bij vonnis van 12 juli 2016 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag het verzoek van de vader tot opheffing van het toegangsverbod afgewezen.
Op 15 maart 2017 is de moeder overleden. Op 18 maart 2017 is de moeder gecremeerd in het crematorium.
De vader is pas na de crematie over het overlijden geïnformeerd door geïntimeerde, die toevalligerwijs van het overlijden en de crematie op de hoogte raakte en door de andere geïntimeerden hier evenmin over was geïnformeerd.
De moeder heeft op 5 juni 1992 een uiterste wil laten opmaken.
In deze uiterste wil is onder meer bepaald: ‘Ik benoem mijn genoemde echtgenoot tot uitvoerder van mijn uiterste wilsbeschikkingen, beredderaar van mijn nalatenschap en bezorger van mijn begrafenis of crematie (…)’.
De moeder heeft haar uiterste wil niet herroepen.
Geschil tussen de vader en diens kinderen over de afgifte van de as van de gecremeerde moeder. Wet op de lijkbezorging en verhouding tot het bepaalde in het testament.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof stelt het volgende voorop.
In art. 18 van de Wet op de lijkbezorging is het volgende bepaald:
1) In de lijkbezorging wordt voorzien door degene, die het in artikel 11 bedoelde verlof aanvraagt, dan wel door degene, die redelijkerwijze geacht kan worden in diens plaats te zijn getreden. De lijkbezorging geschiedt overeenkomstig de wens of de vermoedelijke wens van de overledene, tenzij dat redelijkerwijs niet gevergd kan worden.
2) Onder lijkbezorging wordt voor de toepassing van deze paragraaf begrepen het geven van bestemming aan de as van een gecremeerd lijk.
Op grond van art. 19 van de Wet op de lijkbezorging kan een meerderjarige, of hij die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, ook indien hij niet bekwaam is een uiterste wil te maken, hetzij bij notariële akte, hetzij bij een eigenhandig geschreven, gedagtekende en ondertekende verklaring beschikkingen na dode maken ter bezorging van zijn lijk.
De moeder heeft in haar uiterste wil aangegeven dat haar echtgenoot zorg draagt voor haar begrafenis of haar crematie; dit is dus de ‘wens’ van de moeder als bedoeld in art. 19 van de Wet op de lijkbezorging.
In beginsel is dus de vader degene die bepaalt op welke wijze uitvoering moet worden gegeven aan de begrafenis en/of crematie.
Het feit dat geïntimeerde het verlof als bedoeld in art. 11 van de Wet op de lijkbezorging heeft aangevraagd om haar moeder te begraven en op basis daarvan de begrafenisondernemer opdracht heeft geven voor de crematie, heeft niet tot gevolg dat de last die de moeder in haar uiterste wil aan de vader heeft gegeven met betrekking tot haar begrafenis of crematie is komen te vervallen.
Welke bestemming dient aan de as te worden gegeven?
De rechtbank heeft bestreden vonnis overwogen:
‘Beoordeeld moet worden of er, gegeven alle omstandigheden van het geval, reden is de as te doen begraven op een door de vader aan te wijzen begraafplaats of (geheel of gedeeltelijk) te doen uitstrooien op een door de drie jongste kinderen te bepalen wijze.’
Het hof is zich er evenals de rechtbank van bewust dat het voor alle betrokkenen een pijnlijke aangelegenheid is om te moeten procederen over de vraag wat er met de as van hun moeder/vrouw moet gebeuren.
Het hof neemt hierbij tot uitgangspunt dat in beginsel de wens van de overledene bepalend is met betrekking tot de bestemming van de as.
Gezien de onderlinge samenhang lenen de grieven zich voor een gezamenlijke bespreking. Voorts bespreekt het hof de grieven binnen het hiervoor overwogen juridisch kader.
Door de vader is aangegeven dat zijn echtgenote in 2014 ernstig is gaan dementeren en dat hij vanaf die tijd de mantelzorg van zijn echtgenote op zich heeft genomen.
In juli 2014 heeft hij zijn echtgenote aangemeld voor een verzorgingshuis. De vader stelt dat zij vanaf 2014 niet meer haar wil kon bepalen en dat om die reden niet te veel waarde kan worden gehecht aan datgene wat zij nadien heeft gezegd.
Zijn echtgenote is op 23 juni 2015 onder curatele gesteld. De vader is van mening dat er voldoende aanwijzingen zijn waaruit volgt dat de as moet worden begraven in het familiegraf. Hij stelt dat zijn voormalige echtgenote niet haar uiterste wil heeft herzien en hij op grond van haar uiterste wil bevoegd is haar begrafenis of crematie te regelen.
Tenslotte twijfelt de vader aan de onafhankelijkheid van de verklaring van de psycholoog van het verzorgingshuis.
Door de geïntimeerden wordt betwist dat hun moeder in 2014 al ernstig dementeerde. Vanaf 2016 was er sprake van een ernstige dementie en herkende de moeder haar kinderen niet meer. Geïntimeerden zijn van mening dat de vader hun moeder respectloos heeft behandeld.
Door geïntimeerden wordt niet betwist dat hun moeder hun vader had benoemd tot bezorger van haar begrafenis of crematie.
De geïntimeerden handhaven hun standpunt dat het de wens van hun moeder was om te worden gecremeerd, gevolgd door uitstrooiing op de begraafplaats waar kort daarvoor de as van haar moeder was uitgestrooid.
Vast staat dat geïntimeerde, mede namens de andere kinderen, de opdracht heeft gegeven en dat zij de nabestaande van haar moeder is.
Aan haar dient dus de asbus te worden afgegeven. Het is geïntimeerde sub 3 die dient te bepalen wat er met de as van haar moeder dient te gebeuren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit de uiterste wil van de moeder volgt dat zij haar echtgenoot heeft aangewezen als degene die verantwoordelijk is voor haar begrafenis of crematie.
De uiterste wil van de moeder is in beginsel bepalend voor de vraag wie bevoegd is de begrafenis of crematie te regelen.
Geïntimeerden stellen dat de moeder in 2014 niet ernstig dementeerde en dat de dementie pas ernstig is geworden in 2016.
In de periode tot 2014 en in de periode van 2014 tot 2016 is er voor de moeder klaarblijkelijk geen aanleiding geweest om haar testament te herzien; zij heeft dat niet gedaan.
Noch heeft de moeder in enig ander geschrift haar wensen geuit met betrekking tot haar begrafenis of crematie.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de uiterste wil de meeste rechtszekerheid biedt met betrekking tot de wens van de moeder, namelijk dat haar echtgenoot de begrafenis of crematie diende te regelen.
Uit de processtukken volgt dat de verhouding tussen de vader en geïntimeerden volledig is verstoord.
Voor het bepalen van de wil van de moeder met betrekking tot haar begrafenis of crematie dient aansluiting te worden gezocht bij objectieve criteria, die in dit geval gevonden moeten worden in de uiterste wil van de moeder.
Het feit dat geïntimeerde aan de begrafenisondernemer de opdracht heeft gegeven om de crematie te verzorgen maakt haar in dit geval niet gerechtigd tot de asbus, nu uit de uiterste wil van de moeder volgt dat haar echtgenoot haar begrafenis of crematie diende te regelen.
Hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen brengt met zich dat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en de asbus(sen) aan de vader moet(en) worden afgegeven.
Het is dus de vader die bestemt wat er met de asbus(sen) zal gebeuren.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over een onrechtmatige daad in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.