Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 januari 2019 uitspraak gedaan over de omkering van de bewijslast in het kader van beweerdelijk gedane schenkingen.

De erfgenamen vorderen in deze procedure terugbetaling van de gelden die de vriendin van de erflater heeft onttrokken aan het vermogen van erflater en stelt dat deze onttrekkingen onrechtmatig zijn (artikel 6:162 BW) dan wel dat sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 BW) of ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).

De vriendin van de erflater betwist dat en voert als verweer dat erflater de geldbedragen aan haar heeft geschonken.

De erfgenamen voeren vervolgens aan dat geen sprake is van schenkingen dan wel dat deze schenkingen tot stand zijn gekomen door misbruik van omstandigheden.

De advocaat van de erfgenamen heeft zich op de vernietigingsgrond beroepen in zijn brief van 1 december 2015. Het geschil spitst zich in hoger beroep toe op de vraag of sprake is van schenkingen en van misbruik van omstandigheden en op de bewijslastverdeling.

Omkering van de bewijslast in het kader van beweerdelijke schenkingen?

De rechter oordeelt als volgt.

Artikel 150 Rv bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten daarvan de bewijslast draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Toepassing van deze laatste uitzondering kan slechts met terughoudendheid en onder bijzondere omstandigheden plaatsvinden.

De beslissing tot omkering van de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden gemotiveerd, waarbij de rechter de omstandigheden moet vaststellen die hem tot dit oordeel hebben geleid en inzicht moet geven in de gedachtegang die hij daarbij heeft gevolgd (Hoge Raad, 2 november 2007, HR:2007:BA8445).

De rechter is van oordeel dat de bewijslast voor onrechtmatige daad of onverschuldigde betaling of ongerechtvaardigde verrijking volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv op de erfgenamen rust, die stellen dat juist geen sprake is geweest van schenking(en) maar van onrechtmatige onttrekkingen.

In dit geval ziet de rechter op grond van redelijkheid en billijkheid, bezien in de hierna te benoemen omstandigheden, redenen om de bewijslast om te keren en de vriendin van de erflater te belasten met het bewijs dat sprake is geweest van schenking(en).

De bedoelde verklaring van erflater in de brief van 3 november 2014 roept bij de rechter vraagtekens op. In deze verklaring is een viertal Roemenen als ontvanger van de betaalrekening bij de bank genoemd, wat in tegenspraak is met de stelling van de vriendin van de erflater dat erflater het geld op de bankrekening aan haar geschonken heeft.

De vriendin van de erflater heeft tot op heden, zo verklaarde zij ter zitting in hoger beroep, ook geen aangifte van de schenking(en) bij de belastingdienst gedaan.

Erflater heeft achttien jaar (in)gewoond bij haar. Tussen erflater en haar en haar gezin was sprake van een intensief en dagelijks contact, zo staat onbestreden vast.

De erfgenamen hebben de laatste achttien jaar ook geen contact met erflater gehad en zij zijn niet betrokken geweest bij diens financiële aangelegenheden.

Gelet hierop bevinden de te bewijzen feiten en omstandigheden zich volledig in het domein van de vriendin van de erflater. Nu de erfgenamen die volgens de hoofdregel de bewijslast heeft in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt voor het bewijzen van feiten en omstandigheden die geheel in het domein van de vriendin van de erflater liggen is omkering van de bewijslast op grond van redelijkheid en billijkheid geboden (vgl. Hoge Raad, 20 januari 2006, HR:2006:AU4529). De vriendin van de erflater zal aldus de schenkingen van de geldbedragen dienen te bewijzen.

Indien na bewijslevering komt vast te staan dat sprake is van een schenking moet de rechter toepassing geven aan artikel 7:176 BW.

In geval van misbruik van omstandigheden bij schenking geldt namelijk op grond van artikel 7:176 BW een bijzonder, van artikel 150 Rv afwijkend, bewijsregime.

Artikel 7:176 BW bepaalt dat indien de schenker (dit zijn hier de erfgenamen) feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen, bij een beroep op vernietigbaarheid de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn.

Deze regel is in de wet opgenomen ter versterking van de positie van de schenker. Zie Hoge Raad, 24 juni 2016, HR:2016:1272.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de taken en bevoegdheden van een vereffenaar of executeur, over de legitieme of over het kindsdeel , over giften en schenkingen over bewijs, bewijslast en de omkering van bewijs in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat  verdeling erfenis op 020-3980150.