Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 11 oktober 2017 uitspraak gedaan ober een geschil over een nalatenschap. Voor het overlijden van erflater zijn er bedragen overgeboekt naar gedaagde. Volgens eiser moeten deze bedragen worden aangemerkt als leningen, die door gedaagde zijn verzwegen. Gedaagde stelt dat de bedragen zijn geschonken. De rechtbank volgt het standpunt van eiser en beslist dat de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW in werking treedt. Het aandeel in de nalatenschap wordt verbeurd verklaard.

Verzwijging van goederen in de nalatenschap

Artikel 3:194 lid 2 BW bepaalt dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten.

Een nalatenschap is een gemeenschap als bedoeld in artikel 3:194 BW.

Het geschil tussen partijen over de nalatenschap van erflater spitst zich toe op de vraag of de bedragen die zijn overgeboekt naar gedaagde (in totaal € 70.000,00) moeten worden aangemerkt als leningen, die door gedaagde zijn verwegen.

Gedaagde betwist dit. Hij stelt dat erflater de bedragen aan hem heeft geschonken.

Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft eiser afschriften van bankrekeningen van erflater in het geding gebracht. Hieruit blijken de volgende overboekingen naar de rekening van gedaagde of zijn onderneming:

op 25 maart 2011 een bedrag van € 15.000,00 onder de omschrijving “lening gedaagde ”

op 30 mei 2011 een bedrag van € 10.000,00 onder de omschrijving “privé”

op 30 juni 2011 een bedrag van € 5.000,00 zonder omschrijving

op 28 oktober 2011 een bedrag van € 40.000,00 naar BV van gedaagde

Gedaagde betwist niet dat deze bedragen door hem of zijn onderneming zijn ontvangen.

Ten aanzien van het eerste genoemde bedrag overweegt de rechtbank dat gedaagde deze lening heeft erkend. Gedaagde voert als verweer dat de lening later in datzelfde jaar door erflater is kwijtgescholden. Gedaagde stelt dat erflater dit heeft gedaan omdat erflater gedaagde daarmee wilde helpen. Eiser betwist de kwijtschelding.

De rechtbank wijst op artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dit artikel bepaalt dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt, tenzij uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit. Uitgaande van deze regel is het aan gedaagde om de door hem gestelde kwijtschelding te bewijzen. Gedaagde heeft tijdens de comparitie echter verklaard dat hij daartoe niet in staat is, omdat alleen hij en erflater bij de kwijtschelding aanwezig waren. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het bedrag van € 15.000,00 een lening van erflater aan gedaagde betreft.

Eiser stelt dat ook de overige overboekingen leningen betreffen, terwijl het volgens gedaagde om schenkingen gaat. Eiser stelt dat erflater vanaf het moment van opname in het verzorgingshuis niet meer in staat was financiële beslissingen te nemen. Om die reden was gedaagde ook gevolmachtigd. Erflater ging altijd zuinig om met zijn geld en behandelde zijn kinderen gelijk, in die zin dat als het ene kind iets kreeg, ook het andere iets kreeg. Het is daarom verbazingwekkend dat gedaagde de bedragen niet zou hoeven terugbetalen.

Gedaagde stelt dat erflater ook na zijn hersenbloedingen nog redelijk verstandig was. Erflater heeft gedaagde toestemming gegeven de bedragen over te boeken omdat het zakelijk gezien niet goed ging met gedaagde. Misschien heeft erflater ook gebeurtenissen uit het verleden af willen kopen, aldus gedaagde.

De rechtbank overweegt dat gedaagde ten tijde van de overboekingen onder b, c en d gevolmachtigd was om de financiën van erflater te beheren. Los van het feit dat de bedragen aan gedaagde of zijn onderneming zijn overgemaakt, heeft gedaagde in deze hoedanigheid dus kennis gehad van de overboekingen. Tijdens de periode waarin gedaagde de financiën van erflater beheerde zijn de drie overboekingen gedaan zonder nadere omschrijving. Ook overigens is er niets op papier gezet over de aard of de reden van de overboekingen van erflater naar gedaagde. Gedaagde heeft daarmee zelf de omstandigheid gecreëerd dat hij de enige is die nog iets kan verklaren over het karakter van de overboekingen (lening of schenking).

Na het overlijden van erflater was gedaagde gevolmachtigd om namens de erven de nalatenschap af te wikkelen. Bovendien is gedaagde erfgenaam in de nalatenschap van erflater. In die twee hoedanigheden was en is gedaagde verplicht om openheid van zaken te geven over de omvang van de nalatenschap. Eiser heeft gedaagde meerdere malen gevraagd om openheid van zaken te geven. Hij heeft dat gevraagd nadat was gebleken dat de belastingdienst de nalatenschap op een veel hoger bedrag heeft vastgesteld dat door gedaagde was aangegeven.

Ondanks het herhaalde verzoek van eiser heeft gedaagde de gevraagde openheid van zaken niet gegeven. Hij heeft met name geen bankafschriften aan eiser verstrekt waaruit de betreffende overboekingen blijken. Hij heeft evenmin aangiften inkomstenbelasting van erflater overgelegd. Hij heeft dat ook niet gedaan bij de conclusie van antwoord. Bij die conclusie heeft hij weliswaar bankafschriften overgelegd, maar de bankafschriften waarop de betreffende overboekingen staan, ontbreken.

Tijdens de comparitie heeft gedaagde verklaard geen informatie over de overboekingen te hebben gegeven omdat hij geen administratie meer heeft van 2011. Gedaagde stelt dat er in september 2016 een brand is geweest in zijn garage, waarbij een deel van de administratie verloren is gegaan. De rechtbank acht deze verklaring om verschillende redenen onvoldoende onderbouwd. Gedaagde heeft niet aangegeven wanneer de brand precies was en hoe het mogelijk is dat daarbij een deel van de administratie niet verloren is gegaan en een ander (juist voor eiser relevant deel) wel. Gedaagde heeft bij de conclusie van antwoord namelijk wel een aantal bankafschriften uit 2011 overgelegd van de betaalrekening van erflater, maar niet de bankafschriften waaruit de overboekingen blijken.

Gedaagde heeft geen deugdelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij zijn verklaring over de brand pas ter comparitie, jaren nadat eiser voor het eerst om openheid van zaken vroeg, naar voren heeft gebracht. Gedaagde heeft tijdens de comparitie weliswaar verklaard dat zijn (voormalig) advocaat hiervan op de hoogte was, maar er niets mee heeft gedaan. De advocaat was echter niet aanwezig tijdens de comparitie zodat deze verklaring door de rechtbank niet op juistheid kan worden getoetst. Bovendien komen fouten van zijn advocaat, zo daar al sprake van zou zijn, voor rekening en risico van gedaagde.

Verder wordt overwogen dat eiser gedaagde al eerder in 2016 (dus voor de beweerdelijke brand) om informatie heeft verzocht en dat gedaagde deze verzoeken ook toen niet heeft beantwoord. In dat kader rekent de rechtbank het gedaagde ook aan dat hij de betreffende bankafschriften na de door hem gestelde brand niet alsnog heeft opgevraagd en in het geding heeft gebracht. Gezien zijn hoedanigheid van gevolmachtigde, ook in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap, was gedaagde in staat om de afschriften (opnieuw) op te vragen en aan eiser en de rechtbank te verstrekken. Het had op de weg van gedaagde gelegen om dat te doen. Gedaagde heeft dit echter niet gedaan.

Conform de hoofdregel van artikel 150 Rv. rust op eiser de bewijslast van de stelling dat de overboekingen b. c. en d. leningen betreffen. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan echter een andere verdeling van de bewijslast voortvloeien.

Omkering van bewijslast

Uit de jurisprudentie blijkt dat de bewijslast in zaken als deze kan worden omgedraaid. De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 31 maart 2017 (ECLI:NL:HR:2017:565). De casus die daarin aan de orde was, is in grote mate gelijk aan de onderhavige. Ook in die zaak was sprake van een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW vanwege overboekingen tijdens het leven van erflater. Ook in die zaak werd als verweer gevoerd dat het om een schenking ging. In het arrest is overwogen dat, gelet op de hoofdregel van artikel 150 Rv, stelplicht en bewijslast met betrekking tot de feiten en omstandigheden die worden aangevoerd ter toelichting van een beroep op artikel 3:194 lid 2 BW, rusten op degene die zich op deze bepaling beroept. Volgens de Hoge Raad heeft het hof dit niet miskend met zijn oordeel dat de schenking moet worden bewezen. Het hof heeft kennelijk gebruik gemaakt van de bevoegdheid die de rechter aan het slot van artikel 150 Rv is verleend (de “tenzij-bepaling”) en aanleiding gezien de stelplicht en bewijslast om te keren met betrekking tot de tussen partijen omstreden schenking. Het oordeel van het hof getuigt volgens de Hoge Raad niet van een onjuiste rechtsopvatting. In de omstandigheden van het geval is het oordeel volgens de Hoge Raad ook niet onbegrijpelijk.

De rechtbank ziet in de geschetste feiten en omstandigheden aanleiding om de bewijslast in deze zaak om te keren. Dit brengt mee dat het aan gedaagde is om de door hem gestelde schenkingen te bewijzen. Gedaagde heeft verklaard hiertoe niet in staat te zijn. Dat leidt ertoe dat de rechtbank ook de overige drie overboekingen als leningen aan gedaagde zal aanmerken.

De leningen aan gedaagde zijn tijdens het leven van erflater niet terugbetaald.

Deze leningen, althans de vorderingen die daaruit voortvloeien, maken daarom deel uit van de nalatenschap van erflater. Tezamen met de al verdeelde € 12.250,30 bedraagt de omvang van de nalatenschap dan ook € 82.250,30.

Opzettelijke verzwijging en verbeurdverklaring

Wat betreft de vraag of gedaagde de leningen opzettelijk heeft verzwegen, wordt opnieuw verwezen naar het arrest van 31 maart 2017. De Hoge Raad overweegt dat de (zware) sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW slechts geldt als de deelgenoot wist dat de verzwegen goederen tot de gemeenschap behoorden. Opzet kan niet reeds worden aangenomen indien de desbetreffende deelgenoot (niet wist, maar wel) behoorde te weten dat de verzwegen goederen tot de gemeenschap behoorden.

Uit wat hiervoor is overwogen volgt dat gedaagde kennis droeg van de leningen. Gedaagde was gevolmachtigd om namens de erven de nalatenschap af te wikkelen en was zelf ook erfgenaam. Hij wist dat de leningen tot de nalatenschap behoorden. Desalniettemin heeft hij eiser voorgespiegeld dat de omvang van de nalatenschap € 12.250,30 bedroeg en heeft hij dat bedrag verdeeld. Zelfs nadat eiser herhaaldelijk om openheid van zaken vroeg, hield gedaagde de overboeking van de geleende bedragen verborgen. Eiser heeft de overboekingen uiteindelijk zelf weten te achterhalen. Gelet hierop en gelet op de andere feiten en omstandigheden die zijn beschreven, is de rechtbank van oordeel dat gedaagde de leningen opzettelijk heeft verzwegen.

Gezien deze conclusie treedt de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW in werking ten aanzien van het bedrag van € 70.000,00. Dit betekent dat gedaagde zijn aandeel hierin aan eiser verbeurt. De vorderingen van eiser kunnen daarom worden toegewezen.

Wettelijke rente

De rechtbank is van oordeel dat gedaagde het aan eiser verschuldigde bedrag binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis dient te voldoen. Als gedaagde daar niet aan voldoet, is hij vanaf deze datum de wettelijke rente verschuldigd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over een schenking of over het verzwijgen van goederen van een nalatenschap en verbeurdverklaring, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.