Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Amsterdam heeft op 27 september 2017 uitspraak gedaan over zuivere aanvaarding van een erfenis. Erfgenamen van erflaatster hebben geen daden van zuivere aanvaarding verricht, zodat erfgenamen van erflater slechts aanspraak kunnen maken op het saldo van de nalatenschap van erflaatster.
Beneficiaire aanvaarding
Uit de akte van erfrecht blijkt dat gedaagde 2, gedaagde 4 en gedaagde 3 op 15 december 2014 en gedaagde 1 op 23 december 2014 de nalatenschap van erflaatster beneficiair hebben aanvaard. Eisers hebben gesteld dat deze data niet overeenkomen met het boedelregister, maar daar verder geen rechtsgevolg aan verbonden. Aan deze stelling wordt dan ook voorbij gegaan. Derhalve kan worden vastgesteld dat gedaagden op die data de nalatenschap beneficiair hebben aanvaard.
Daden van zuivere aanvaarding?
Ter zitting hebben eisers naar voren gebracht dat gedaagden in de periode tussen het overlijden van erflaatster en de beneficiaire aanvaarding mogelijk daden van zuivere aanvaarding hebben verricht. Naar aanleiding daarvan hebben partijen afgesproken dat gedaagden de bankafschriften van de betaal- en spaarrekening(en) van erflaatster in de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 aan eisers zullen overleggen. Gedaagden hebben vervolgens aan eisers twee overzichten van de bankrekening van erflaatster ter hand gesteld. Eén overzicht heeft betrekking op de periode van 1 juli 2014 tot 11 november 2014 en één op de periode van 6 november 2014 tot en met 31 december 2014. Bij hun antwoordakte na comparitie hebben gedaagden een overzicht van de spaarrekening overgelegd.
Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de door gedaagden overgelegde overzichten van de bankrekening van erflaatster. Tegen het overzicht van de spaarrekening hebben eisers geen bezwaar gemaakt. Volgens eisers zijn gedaagden wat de bankrekening betreft de tussen partijen gemaakte afspraken niet nagekomen. Het eerste overzicht bevat zestien pagina’s, terwijl gedaagden slechts pagina’s 1 en 13 tot en met 16 heeft overgelegd. Derhalve ontbreekt een aantal pagina’s. Bovendien hebben de gedaagden, in weerwil van de afspraak, geen opvolgende afschriften ter hand gesteld en staan daarop geen volgnummers vermeld. Dit betekent dat op basis van de door gedaagden overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld wat na het overlijden van erflaatster op de bankrekening is gebeurd dan wel wat het saldo van die rekening is, aldus steeds eisers.
Zoals hiervoor reeds vermeld hield de tussen partijen gemaakte afspraak in dat gedaagden de bankafschriften in de periode van 1 november 2014 tot en met 31 december 2014 aan eisers zouden afgeven. De twee door gedaagden overgelegde overzichten bevatten tezamen de mutaties van de bankrekening van erflaatster over die gehele periode. De omstandigheid dat van het eerste overzicht niet alle zestien pagina’s zijn overgelegd, is dan ook niet relevant. Dat overzicht liep immers vanaf 1 juli 2014 en de pagina’s die niet door eisers zijn overgelegd hebben betrekking op de periode vanaf die datum tot 1 november 2014. Ten aanzien van die periode waren gedaagden niet gehouden afschriften in het geding te brengen. Wat het standpunt van eisers betreft dat geen sprake is van opvolgende afschriften en dat die geen volgnummers bevatten, hebben gedaagden genoegzaam toegelicht dat zij een digitale selectie hebben gemaakt van de bankmutaties in de gevraagde periode en om die reden de afschriften niet zijn voorzien van een volgnummer. Gelet op deze omstandigheden zijn de ter zitting gemaakt afspraken nagekomen en kan worden vastgesteld dat de door gedaagden overgelegde stukken alle mutaties betreffen die in de periode tussen het overlijden van erflaatster en de beneficiaire aanvaarding op de bank- en spaarrekening van erflaatster hebben plaatsgevonden.
Uit de door gedaagden overgelegde afschriften kan niet worden afgeleid dat gedaagden in de genoemde periode van de rekening van erflaatster geldbedragen hebben opgenomen dan wel hebben overgemaakt. Evenmin is gesteld noch gebleken dat van andere daden van zuivere aanvaarding sprake is. De omstandigheid dat W in januari 2015 onder de noemer “vereffeningskosten” een bedrag op de rekening van erflaatster heeft gestort, waarvan hij zelf heeft te kennen heeft gegeven dat die storting betrekking had op een het bedrag aan begrafeniskosten dat hij van de rekening van erflaatster had opgenomen, doet hier niet aan af. Deze opname is immers niet op de door gedaagden overgelegde afschriften te zien en heeft kennelijk in de periode daarna – en dus na de datum van de beneficiaire aanvaarding – plaatsgevonden. Ook op andere wijze is niet gebleken dat door gedaagden, zoals eisers menen, bewust het een en ander wordt achtergehouden. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat daden van zuivere aanvaarding hebben plaatsgevonden, waardoor sprake is van een beneficiaire aanvaarding door gedaagden.
Schadevergoeding? Vertering?
Tussen partijen is niet in geschil dat het saldo van de nalatenschap van erflaatster in totaal € 11.109,29 bedraagt. Nu sprake is van een beneficiaire aanvaarding is dit het bedrag waar eisers hoogstens aanspraak op kunnen maken. Dit betekent dat de vordering dat betrekking heeft dat op het meerdere zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang.
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank voorbij zal gaan aan de uitvoerige discussie tussen partijen over de vraag wie (erflater of erflaatster) de rekeningen die tot de nalatenschap van erflater behoorden, heeft gevoed. Daartoe wordt het volgende overwogen. Vastgesteld kan worden dat de rekening met nummer 55.52.82.260 een en/of-rekening betrof, aangezien die op zowel de naam van erflater als de naam van erflaatster stond. Dit betekent dat, behoudens andere indicaties, in beginsel de helft van het saldo van deze rekening aan de nalatenschap van erflater kan worden toegerekend. Dergelijke indicaties zijn gesteld noch gebleken. Hoewel gedaagden naar voren hebben gebracht dat ook erflaatster deze rekening heeft gevoed, hebben zij zich niet uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat daardoor het gehele saldo van deze rekening aan de nalatenschap van erflaatster zou moeten toebehoren. Zij hebben immers slechts in reactie op de stelling van eisers dat erflater als enige deze rekening voedde, naar voren gebracht dat ook erflaatster bedragen naar deze rekening overmaakte. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat in ieder geval de helft van het saldo van deze rekening aan de nalatenschap van erflater toebehoorde.
Uit de door eisers overgelegde bankafschriften blijkt dat in juli 1990 het saldo van deze rekening ƒ 399.463,00 betrof. Hoewel dit afschrift dateert van een aantal maanden na het overlijden van erflater, is gesteld noch gebleken dat erflaatster in die periode een dergelijk groot bedrag op deze rekening heeft gestort. Derhalve kan er genoegzaam van worden uitgegaan dat ten tijde van het overlijden van erflater een soortgelijk bedrag op de rekening stond. Weliswaar kan dat bedrag minder zijn geweest, maar dat zal, gelet op het voorgaande, niet heel veel minder zijn geweest.
Nu de helft van dit saldo tot de nalatenschap van erflater behoort, hebben eisers in ieder geval recht op een bedrag van ƒ 199.731,50 (€ 90.634,20). Uit de omstandigheid dat het saldo van de nalatenschap van erflaatster slechts € 11.109,29 bedraagt, kan worden afgeleid dat erflaatster in ieder geval ten aanzien van deze rekening een deel van de nalatenschap van erflater heeft verteerd. Gedaagden zijn als rechtsopvolgers van erflaatster gehouden de schade die eisers daardoor lijden, aan eisers te vergoeden. Dit betekent dat eisers alleen al wat deze rekening betreft volledig aanspraak kunnen maken op het saldo van de nalatenschap van erflaatster. Gedaagden dienen dan ook dit bedrag aan eisers te betalen. De vorderingen tot dit bedrag zullen derhalve worden toegewezen. Nu eisers hoogstens aanspraak kunnen maken op het bedrag van € 11.109,29 zal de gevorderde wettelijke rente vanaf 13 maart 1990 wegens gebrek aan belang worden afgewezen. Deze rente zal worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding.
Inboedelgoederen. Legaat van vruchtgebruik
In het testament van erflater staat vermeld dat hij de inboedelgoederen die in de woning aanwezig waren, aan erflaatster legateert. Hij heeft dus niet – zoals eisers hebben gesteld – slechts het vruchtgebruik van deze inboedelgoederen gelegateerd. Ten tijde van het overlijden van erflater was echter de woning reeds verkocht. Volgens eisers is daarmee het legaat komen te vervallen en behoren deze goederen derhalve toe aan de nalatenschap van erflater. De rechtbank gaat hier echter aan voorbij. Uit de inhoud van het testament kan immers worden afgeleid dat de wil van erflater er kennelijk op was gericht dat erflaatster na zijn overlijden de inboedelgoederen zou verkrijgen. Gelet daarop brengt – ondanks dat het op deze wijze in het testament is geformuleerd – de enkele omstandigheid dat de woning ten tijde van het overlijden van erflater reeds was verkocht, niet met zich dat het legaat daarmee is komen te vervallen. Door deze inboedelgoederen in eigendom te verkrijgen heeft zij het legaat ook aanvaard. Dit betekent dat de inboedelgoederen geen deel uitmaken van de tussen eisers te verdelen nalatenschap van erflater en zij daarop geen aanspraak kunnen maken. De vordering zullen dan ook worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening of verdeling van een erfenis of over zuivere of beneficiaire aanvaarding van een erfenis, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.