Van onze advocaat verdeling erfenis. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 11 december 2018 uitspraak gedaan over het procederen namens de nalatenschap door en tegen erfgenamen.

Vader heeft twee dochters (dochter A en dochter B). Vanwege dementie worden de goederen van vader onder bewind gesteld. De bewindvoerder begint een procedure tegen dochter A wegens onder meer aanzienlijke contante geldopnamen van de bankrekening van vader. De kantonrechter veroordeelt dochter A om een bedrag aan de bewindvoerder te voldoen. Dochter A stelt hoger beroep in.

Daarna, maar voor het nemen van de memorie van grieven, overlijdt vader en eindigt het bewind. De twee dochters zijn de enige erfgenamen (moeder is vooroverleden). Na schorsing en hervatting van het geding roept dochter A dochter B op om het geding als geïntimeerde over te nemen en voort te procederen.

In dit geval treedt dochter B op grond van artikel 3:189 lid 2 BW in verband met artikel 3:171 BW bevoegd (met de kennelijke instemming van dochter A) op tegen dochter A als procespartij namens de nalatenschap waarin dochter A en dochter B deelgenoot zijn

Geïntimeerde heeft in de memorie van antwoord betoogd dat het geding betrekking heeft op de rechtspositie van de nalatenschap van vader en daarmee op een processueel ondeelbare rechtsverhouding tussen de erfgenamen van vader, zijnde appellante en geïntimeerde.

Volgens geïntimeerde had appellante daarom na het overlijden van vader niet alleen geïntimeerde als erfgenaam en rechtsopvolger van vader moeten oproepen om in het geding te verschijnen en voort te procederen, maar ook zichzelf als erfgenaam en rechtsopvolger van vader.

Omdat appellante dat achterwege heeft gelaten, moet zij volgens geïntimeerde niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Appellante heeft in de door haar genomen akte gesteld dat zij het hoger beroep op de juiste wijze heeft ingesteld door de dagvaarding in hoger beroep bij leven van vader te laten uitbrengen aan de bewindvoerder.

Volgens appellante heeft zij ook juist gehandeld door vervolgens na het overlijden van vader geïntimeerde op te roepen om als rechtsopvolgster van vader in de procedure in hoger beroep te verschijnen.

Appellante heeft in dit kader gesteld dat zij zelf niet tegelijkertijd als appellante en als geïntimeerde kan optreden in dit hoger beroep.

Volgens appellante zal een eventuele veroordeling van haar tot betaling van een bedrag aan geïntimeerde gelden als een veroordeling tot betaling aan de nalatenschap.

Ook uit het gestelde in de memorie van grieven is reeds af te leiden dat appellante geïntimeerde bevoegd acht om namens de nalatenschap (waarin appellante en geïntimeerde deelgenoot zijn) voort te procederen tegen appellante.

Voor het geval het hof zou oordelen dat appellante ook zichzelf had moeten oproepen om als geïntimeerde in het geding te verschijnen, verzoekt appellante om daartoe alsnog in de gelegenheid te worden gesteld.

Procederen door een van twee erfgenamen namens de nalatenschap tegen de andere erfgenaam. Hoedanigheid van partijen. Ontvankelijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof stelt naar aanleiding van dit beroep van geïntimeerde op niet-ontvankelijkverklaring van appellante in haar vordering in hoger beroep voorop dat de nalatenschap van vader een bijzondere gemeenschap is zoals bedoeld in artikel 3:189 BW.

Deze gemeenschap heeft in dit geval twee deelgenoten, te weten de enige erfgenamen geïntimeerde en appellante.

Op grond van artikel 3:189 lid 2 BW in verband met artikel 3:171 BW is geïntimeerde in beginsel bevoegd om rechtsvorderingen in te stellen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van deze nalatenschap.

Onder die bevoegdheid om rechtsvorderingen in te stellen ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van deze nalatenschap valt in beginsel ook de bevoegdheid om als een van de deelgenoten van de nalatenschap ten behoeve van de nalatenschap de onderhavige procedure in hoger beroep voort te zetten.

Dat geldt te meer nu appellante in dit geval in hoger beroep heeft gesteld dat geïntimeerde optreedt namens de nalatenschap en dat een veroordeling van appellante in deze procedure tot betaling van een geldbedrag zal gelden als een veroordeling tot betaling aan de nalatenschap.

Appellante heeft daarmee – terwijl zij naast geïntimeerde de enige andere erfgenaam is – uitdrukkelijk erkend dat geïntimeerde in dit geval bevoegd is om de procedure namens de nalatenschap voort te zetten. Die erkenning ligt ook al impliciet besloten in het feit dat appellante alleen geïntimeerde heeft opgeroepen om de onderhavige procedure in hoger beroep voort te zetten.

Geïntimeerde heeft op zichzelf terecht aangevoerd dat alle erfgenamen in deze procedure moeten zijn opgeroepen. Het is immers rechtens noodzakelijk dat een beslissing over de vordering van de nalatenschap in dezelfde zin luidt ten aanzien van alle erfgenamen van de nalatenschap.

Indien geïntimeerde en appellante nog een broer of zus zouden hebben die mede-erfgenaam zou zijn, zou die broer of zus op de voet van artikel 118 Rv alsnog in het geding moeten worden opgeroepen (vgl. HR 10 maart 2017, HR:2017:411).

In dit geval staat echter vast dat geïntimeerde en appellante de enige erfgenamen zijn. Beiden zijn al in deze procedure vertegenwoordigd.

Appellante treedt in deze procedure strikt genomen weliswaar alleen op voor zichzelf, als wederpartij van de nalatenschap, en niet als erfgenaam en rechtsopvolger van vader, maar zij heeft wel uitdrukkelijk gesteld dat geïntimeerde namens de nalatenschap optreedt en dat een veroordeling van appellante om een geldbedrag te betalen in deze procedure heeft te gelden als een veroordeling om aan de nalatenschap te betalen.

Uit het door appellante gestelde blijkt dat zij geïntimeerde geheel bevoegd acht om in de onderhavige procedure namens de nalatenschap standpunten in te nemen. Daarin ligt besloten dat hetgeen geïntimeerde in dit hoger beroep heeft aangevoerd, kan gelden als standpunt van de gezamenlijke erven waaraan appellante in haar hoedanigheid van deelgenoot in de nalatenschap niets toe te voegen heeft.

De in dit hoger beroep te wijzen uitspraak zal daarom ook tegen appellante als deelgenoot in de nalatenschap kunnen worden ingeroepen.

Bij deze stand van zaken is met een tussenarrest om appellante in de gelegenheid te stellen zichzelf als deelgenoot in de nalatenschap in het geding te roepen geen in rechte te respecteren belang van geïntimeerde gediend.

Het hof ziet daarom af van het wijzen van een dergelijk tussenarrest en het hof verwerpt op grond van het voorgaande het beroep van geïntimeerde op niet-ontvankelijkverklaring van appellante in dit hoger beroep.

In verband met het voorgaande heeft het hof in de kop van dit arrest tot uitdrukking gebracht dat geïntimeerde in dit hoger beroep optreedt ten behoeve van de gemeenschap van nalatenschap van vader.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over een bewindvoerder of over een executeur in het erfrecht, over de nalatenschap als bijzondere gemeenschap en het procederen namens de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.