Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Limburg heeft op 12 december 2018 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament.
Artikel 4:46 BW. De rechtbank acht niet doorslaggevend voor het erfgenaamschap van gedaagde of zij op het moment van het overlijden van de erflater op hetzelfde woonadres stond ingeschreven als de erflater, hetgeen volgens de letterlijke tekst van de uiterste wilsbeschikking wel een voorwaarde voor het erfgenaamschap van gedaagde was.
Volgens de rechtbank is de kennelijke bedoeling van de omstreden voorwaarde in de uiterste wilsbeschikking dat doorslaggevend voor het erfgenaamschap van gedaagde is, of zij op het moment van overlijden van de erflater met deze samen woonde.
Eiseres is de moeder van de overleden erflater. Erflater heeft op 10 juni 2015 een uiterste wilsbeschikking laten opstellen. In die uiterste wilsbeschikking heeft erflater – zakelijk weergegeven en voor zover te dezen van belang – zijn enige kind (dochter) onterfd en gedaagde in benoemd tot zijn enige erfgename.
Eiseres stelt dat, nu uit de inschrijvingen in de gemeentelijke basisadministratie is gebleken dat erflater en gedaagd nooit op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan, daaruit volgt dat van samenwoning tussen erflater en gedaagde naar de bepalingen van de uiterste wilsbeschikking van erflater nooit sprake is geweest, dan wel dat deze is beëindigd.
Daaruit volgt dan volgens eiseres weer dat gedaagde geen erfgename van erflater is, noch executeur van diens nalatenschap en dat eiseres de enige erfgename van erflater is.
Uitleg uiterste wilsbeschikking. Voorwaarde in testament. Bedoeling erflater. Inschrijving GBA of samenwonen?
De rechter oordeelt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat erflater en gedaagde nooit op hetzelfde woonadres ingeschreven hebben gestaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat erflater en gedaagde niettemin een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd en die ook voerden ten tijde van het overlijden van erflater.
Dit volgt uit door gedaagde ter comparitie afgelegde verklaringen, die door eiseres niet, dan wel onvoldoende zijn weersproken.
Gedaagde heeft verklaard dat zij en erflater sedert in ieder geval 2012 samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden in de woning van gedaagde. Erflater was wel nog eigenaar van zijn woning aan de adres 1 te woonplaats 2, maar erflater kwam daar bijna nooit. Moeder kwam hem ook opzoeken in de woning van gedaagde. Vlak voor zijn overlijden is erflater vanuit de woning van gedaagde met een ambulance naar het ziekenhuis vervoerd, waar hij niet lang daarna is overleden in bijzijn van zowel gedaagde als moeder, dochter en kleindochter.
Dat gedaagde en erflater een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, is ook aannemelijk nu zij op 10 juni 2016, op dezelfde dag waarop erflater zijn uiterste wilsbeschikking heeft laten opstellen, daaraan voorafgaand, een samenlevingscontract hebben laten opstellen.
Ten slotte is van belang dat erflater in zijn uiterste wilsbeschikking heeft laten opnemen dat hij vanaf de datum van het opstellen daarvan een gemeenschappelijke huishouding voert met gedaagde.
Het geschil tussen partijen komt in essentie neer op de uitleg van de uiterste wilsbeschikking van erflater.
Meer in het bijzonder betreft de vraag naar de uitleg of en, zo ja, welke betekenis moet worden toegekend aan de voorwaarde voor het erfgenaamschap, te weten dat erflater en gedaagde ten tijde van het overlijden van erflater nog op hetzelfde woonadres ingeschreven moeten staan.
Artikel 4:46 BW bepaalt dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Volgens een letterlijke uitleg van de uiterste wilsbeschikking moet de samenwoning tussen erflater en gedaagde als beëindigd worden beschouwd als zij niet langer op hetzelfde woonadres staan ingeschreven.
Eveneens volgens de letterlijke tekst voldoet gedaagde dan niet meer aan de voorwaarden waaronder zij als erfgenaam kan gelden.
Echter, de rechtbank acht de door eiseres voorgestane letterlijke uitleg niet doorslaggevend.
Gelet immers op de verhoudingen die de uiterste wilsbeschikking kennelijk wenst te regelen, en gelet op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, dient die uiterste wil aldus te worden uitgelegd dat in het onderhavige geval het enkele feit dat erflater en gedaagde ten tijde van het overlijden van erflater niet op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven niet doorslaggevend dient te zijn, doch wel of zij op dat moment feitelijk samen woonden, zodat gedaagde als enige erfgename van erflater moet worden beschouwd. Daartoe is het volgende van belang.
Erflater heeft door middel van het opmaken van een uiterste wilsbeschikking de wens uitgesproken gedaagde tot zijn enige erfgename te benoemen. Hij heeft zijn dochter onterfd en heeft bepaald dat indien gedaagde vóór, dan wel gelijktijdig met hem zou overlijden ook in dat geval zijn moeder, die naar de wettelijke regels dan als erfgenaam zou moeten worden beschouwd, geen erfgename is, maar dat in dat geval de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren als enig erfgenaam van erflater wordt benoemd.
In die wilsbeschikking zijn echter voorwaarden geformuleerd waaraan moest zijn voldaan om gedaagde als erfgename aan te kunnen merken.
Een van die voorwaarden was dat erflater en gedaagde ten tijde van het overlijden van erflater op hetzelfde woonadres stonden ingeschreven. Omdat erflater en gedaagde ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking samenwoonden in de woning van gedaagde, maar niet stonden ingeschreven op hetzelfde woonadres, zou, indien de letterlijke tekst van de uiterste wilsbeschikking zou worden gevolgd, gedaagde geen erfgename van erflater zijn.
Uit het feit dat erflater en gedaagde op 10 juni 2016, nadat zij al enkele jaren samen woonden, een samenlevingscontract hebben gesloten en op diezelfde dag, maar daarna, erflater een uiterste wilsbeschikking heeft laten opmaken waarin hij heeft laten opnemen dat hij vanaf die datum een gemeenschappelijke huishouding voert met gedaagde en gedaagde tot zijn enige erfgenamen benoemt, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat voor het erfgenaamschap van gedaagde doorslaggevend is dat zij en erflater op het moment van het overlijden van laatstgenoemde samenwoonden en niet dat zij op dat moment ook op hetzelfde adres stonden ingeschreven.
Als eerste voorwaarde voor het erfgenaamschap van gedaagde wordt door erflater immers geformuleerd dat de samenwoning tussen hem en gedaagde door zijn overlijden is geëindigd.
Klaarblijkelijk is relevant voor het erfgenaamschap van gedaagde dat tussen hen een wens bestond om samen te wonen. Ook indien die samenwoning ten gevolge van wilsonafhankelijke omstandigheden, zoals opname van (één van) de partners in een verpleegkliniek, is volgens de uiterste wilsbeschikking immers sprake van de vereiste samenwoning.
Kennelijk heeft erflater]zijn lotsverbondenheid, volgende en blijkende uit zijn samenleving met gedaagde, tot uitdrukking willen brengen door haar tot zijn enige erfgename te benoemen. Die lotsverbondenheid eindigt niet, en derhalve ook niet de wens om gedaagde te laten erven, indien de samenwoning wordt beëindigd op grond van wilsonafhankelijke omstandigheden.
Aan de voorwaarde van samenwoning is volgens de uiterste wilsbeschikking niet voldaan in een vijftal daarin omschreven gevallen, waarvan het eerste, en in dit geschil aan de orde zijnde geval, betreft het “niet langer op hetzelfde adres staan ingeschreven” in de gemeentelijke basisadministratie van erflater en gedaagde.
Kennelijk is bij het opstellen van de uiterste wilsbeschikking ervan uitgegaan dat het feit dat erflater en gedaagde niet meer op hetzelfde adres staan ingeschreven het gevolg is van een verbreking van de samenwoning, zodat de bedoelde lotsverbondenheid er niet meer is, en dat de partij die de woning verlaat zich elders vestigt en zich op dat adres ook laat inschrijven.
Het niet meer staan ingeschreven staan moet dus enkel worden gezien in het licht van een verbreking van de samenleving als gevolg van wilsafhankelijke omstandigheden.
Dat is te meer aannemelijk nu de andere vier gevallen waaronder de samenwoning wordt geacht te zijn geëindigd betrekking hebben op gevallen waarin duidelijk is dat erflater en gedaagde niet meer wensen samen te wonen.
Dat het op één woonadres ingeschreven staan niet doorslaggevend is, volgt ook uit het feit dat in de uiterste wilsbeschikking wordt gesproken van het “niet langer op hetzelfde adres staan ingeschreven”, terwijl erflater en gedaagde op dat moment niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven en ook daarna niet op hetzelfde zijn ingeschreven.
Ten slotte overweegt de rechtbank dat het feit dat gedaagde en erflater ten tijde van het overlijden van erflater niet op hetzelfde adres stonden ingeschreven ook om de volgende reden niet doorslaggevend is.
Gedaagde heeft ter comparitie verklaard dat erflater wegens zijn ziekte niet meer in staat is geweest de inschrijving van zijn woonadres te wijzigen en om dezelfde reden zijn plan om zijn woning te verkopen niet heeft kunnen uitvoeren. Het eerste wordt bovendien bevestigd door eiseres. Haar advocaat heeft immers ter zitting verklaard dat hij uit een verklaring van de heer Van A, werkzaam op het kantoor van de notaris waar de uiterste wilsbeschikking is opgesteld, heeft begrepen dat de uitschrijving door erflater van zijn woonadres niet zou zijn geregeld in verband met diens ziekte. Zo de inschrijving derhalve als harde, relevante voorwaarde zou moeten gelden, dan moet die voorwaarde ook zijn geacht te vervuld, nu erflater die voorwaarde heeft willen vervullen maar die voorwaarde wegens overmacht niet heeft kunnen vervullen.
Nu de vordering op grond van het vorenstaande al moet worden afgewezen, behoeven de overige verweren van gedaagde geen bespreking meer.
Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde moet worden aangemerkt als enig erfgenaam van erflater.
Dat betekent dat de vordering in de hoofdzaak moet worden afgewezen. Ook de incidentele vordering moet derhalve worden afgewezen. Nu eiseres geen erfgename van erflater is, heeft eiseres geen recht op of belang bij openlegging van en/of inzage in de in het petitum in het incident genoemde stukken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over een testament of over de uitleg van een testament, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.