Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Rotterdam heeft op 6 juni 2018 uitspraak gedaan over de vraag of voldoende bewijs geleverd was dat sprake was van het verzwijgen van vermogen van de erflater ex artikel 3:194 lid 2 BW.

De moeder stelt dat de kluis en de rekening(en) door erflater in België geopend zijn vóór de echtscheiding, zodat het vermogen van erflater in België tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort.

Gedaagde betwist dat het vermogen van erflater in België tot de huwelijksgoederengemeenschap behoort. De moeder heeft erflater feitelijk in december 1985 verlaten en zij zijn sindsdien financieel gescheiden huishoudens gaan voeren. Dat blijkt volgens gedaagde onder meer uit het feit dat de gezamenlijke bankrekening van erflater en de moeder in 1986 is opgeheven. De kluis en de rekeningen van erflater in België zijn geopend nadat de moeder erflater feitelijk verlaten had.

Valt de gezamenlijke bankrekening in de nalatenschap?

De rechter oordeelt als volgt.

Om vast te kunnen stellen of de inhoud en de tegoeden van de bovengenoemde kluis en rekeningen tot de huwelijksgoederengemeenschap van erflater en de moeder behoren, moet de peildatum van de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap worden bepaald.

Tot 1 januari 2012 was de peildatum van de omvang van een huwelijksgoederengemeenschap het moment van de echtscheiding, te weten de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De echtscheidingsbeschikking van erflater en de moeder is op 21 januari 1994 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

Dit betekent dat de omvangpeildatum van de huwelijksgoederengemeenschap van erflater en de moeder 21 januari 1994 is.

De kluis en de rekening zijn geopend ten tijde van het huwelijk van erflater en de moeder.

Voor zover zich in de kluis en op de zichtrekening inhoud/tegoeden bevonden op de omvangspeildatum van 21 januari 1994, behoren deze inhoud/tegoeden daarom tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

Hoewel de effectenrekening en zichtrekening geopend zijn na de echtscheiding van erflater en de moeder, zijn de rekeningen geopend om de op naam gestelde effecten/aandelen aan toonder en de coupons van de aandelen uit de kluis op te storten.

Voor zover zich op deze rekeningen tegoeden bevonden op de omvangspeildatum van 21 januari 1994, vallen deze tegoeden ook in de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

De spaarrekening is geopend na de echtscheiding van erflater en de moeder, zodat het tegoed van deze rekening niet tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort.

Gelet op het vorenstaande zal de vordering ten aanzien van de kluis, zichtrekening en de effectenrekening worden toegewezen voor zover er sprake is van vermogen in de kluis en op de rekeningen op de omvangpeildatum van 21 januari 1994.

Voldoende bewijs geleverd dat sprake is van verzwegen vermogen van erflater?

De rechter oordeelt als volgt.

Vervolgens is de vraag aan de orde of het vermogen van erflater in België een verzwegen goed betreft zodat het alleen aan de moeder toekomt, of dat er sprake is van een vergeten goed zodat het vermogen van erflater in België ook aan gedaagden toekomt.

In artikel 3:194 lid 2 BW staat dat een deelgenoot die opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, zoek maakt of verborgen houdt, zijn aandeel in die goederen verbeurt aan de andere deelgenoten.

De moeder stelt dat erflater zijn vermogen in België opzettelijk verzwegen heeft.

De kluis en de rekening(en) zijn ten tijde van het huwelijk geopend, maar erflater heeft in de verdelingsprocedures niet aangevoerd dat hij over vermogen in België beschikte. Bovendien heeft erflater zijn vermogen in België nooit opgegeven bij de Belastingdienst.

Gedaagde betwist dat erflater zijn vermogen in België opzettelijk heeft verzwegen. De moeder was op de hoogte van het feit dat erflater een deel van zijn salaris in effecten ontving en dat hij in België geld ging beleggen. Volgens gedaagde was de moeder het ermee eens dat dit inkomen en vermogen niet betrokken zou worden in de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap.

De stelplicht en bewijslast van de stelling van de moeder dat erflater zijn vermogen in België opzettelijk verzwegen heeft voor de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van erflater en de moeder, rust op de moeder.

De moeder onderbouwt haar stelling echter niet, noch heeft zij een begin van bewijs geleverd, zodat aan bewijslevering niet wordt toegekomen.

Een en ander daargelaten dat erflater inmiddels is overleden en de moeder op geen enkele wijze te kennen heeft gegeven hoe zij haar stelling denkt te kunnen gaan bewijzen.

Dit betekent dat niet vast is komen te staan dat erflater zijn vermogen in België opzettelijk heeft verzwegen en dat het aandeel van het vermogen van erflater (en dat van gedaagden) op grond van artikel 3:194 lid 2 BW verbeurd is en alleen aan de moeder toekomt. De vordering wordt daarom afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over het kindsdeel of over de legitieme, over een gezamenlijke gevoerde bankrekening of over het verzwijgen van vermogen in een nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.