Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 2 augustus 2017 uitspraak gedaan over de verdeling van een nalatenschap ten overstaan van een notaris en over de inbreng van giften in de nalatenschap.
Partijen zijn de kinderen en erfgenamen van vader (erflater) en moeder (erflaatster). Partijen hebben de nalatenschappen van erflaters zuiver aanvaard en zijn ieder voor 1/5de deel daarin gerechtigd.
De vorderingen van de advocaat van eiseres strekken ertoe dat de wijze van verdeling van de nalatenschappen van erflaters zal worden vastgesteld zoals bedoeld in artikel 3:185 BW.
Daarnaast vordert de advocaat van eiseres dat zal worden bepaald dat gedaagden de door eiseres genoemde leningen en schenkingen dienen terug te betalen aan dan wel in te brengen in de nalatenschap.
Inbreng van giften
Met betrekking tot de lening aan gedaagde 1 van ƒ 40.000,00 (€ 18.157,00) is door haar in de brief van 12 januari 2009 aan de notaris verklaard dat ze deze lening van haar moeder niet hoefde terug te betalen. Gelet hierop was er op enig moment geen terugbetalingsverplichting meer, zodat de rechtbank genoemd bedrag zal aanmerken als zijnde geschonken. Niet in geschil is dat daarnaast aan gedaagde in 1995 door erflaters een schenking is gedaan van ƒ 5.000,00 (€ 2.270,00). Gedaagde ] zal de waarde van deze giften dienen in te brengen in de nalatenschap op grond van artikel 4:1132 BW (oud) jo. artikel 139 Ow NBW voor zover deze waarde de waarde van haar aandeel in de nalatenschap niet overstijgt als bedoeld in artikel 4:233 lid 2 BW, zodat in die zin zal worden bepaald, onder toewijzing in zoverre van het in deze gevorderde.
Gedaagde 2 heeft een door hem en erflaters ondertekende verklaring d.d. 10 april 1995 overgelegd, voor gezien getekend en gestempeld door de notaris, onder meer inhoudende dat het restantbedrag van ƒ 12.500,00 “bij deze wordt kwijtgescholden bij wijze van schenking” . De rechtbank gaat er dan ook van uit dat de kwijtschelding van het restantbedrag van ƒ 12.500,00 (€ 5.674,00) overeenkomstig voormelde verklaring een schenking is geweest.
Gedaagde 2 dient de waarde van deze gift op grond van artikel 4:1132 BW (oud) jo. artikel 139 Ow NBW in te brengen in de nalatenschap voor zover deze de waarde van zijn aandeel daarin niet overstijgt als bedoeld in artikel 4:233 lid 2 BW, zodat in die zin zal worden bepaald, onder toewijzing in zoverre van het in deze gevorderde.
In gelijke zin zal de rechtbank bepalen ten aanzien van de schenking van ƒ 7.000,00 (€ 3.177,00) aan gedaagde 3. Voor zover het verweer van gedaagde 3 inhoudt dat zij niet is gehouden tot inbreng van hetgeen haar in 1995 is geschonken, omdat alle erfgenamen toen een zelfde schenkingsaanbod hebben gekregen, gaat de rechtbank daarin niet mee. De inbrengplicht ten aanzien van giften geldt ongeacht de vraag of andere erfgenamen dezelfde gift hebben ontvangen, dan wel dezelfde gift aangeboden hebben gekregen maar geweigerd.
Verjaring van de inbrengplicht?
De rechtbank volgt gedaagde 3 evenmin in haar betoog dat de vordering tot inbreng van het aan haar is geschonken, voor zover de schenking kan worden toegerekend aan erflater, inmiddels is verjaard, omdat erflater reeds in 1996 is overleden. Daartoe overweegt de rechtbank dat een vordering tot verdeling van een onverdeeldheid te allen tijde kan worden gedaan en niet aan verjaring onderhevig is. Gelet hierop heeft dit naar het oordeel van de rechtbank ook te gelden voor een in het kader van een verdelingsvordering jegens een deelgenoot ingestelde inbrengvordering, nu beide vorderingen nauw aan elkaar verknocht zijn. Slechts in het kader van de verdeling kan immers worden vastgesteld wat op grond van de verplichting tot inbreng feitelijk moet worden ingebracht, omdat dit mede afhankelijk wordt gesteld van de waarde van het aandeel van de inbrengende erfgenaam (artikel 4:233 BW).
Vergoeding van rente
Met betrekking tot de rentevordering merkt de rechtbank op dat in deze de wettelijke rente van artikel 4:233 lid 1 BW geldt (welk artikel onder meer inhoudt dat de waarde van de giften wordt verhoogd met een rente van 6% per jaar vanaf de dag dat de nalatenschap is opengevallen). Nu eiseres zich wat betreft de periode waarover de rente moet worden berekend heeft beperkt tot de periode vanaf de datum van overlijden van erflaatster, te weten 13 augustus 2007, is deze ingangsdatum in deze procedure het uitgangspunt. In hetgeen [gedaagde 2] tegen de rentevordering heeft aangevoerd schuilt naar het oordeel van de rechtbank geen relevant argument voor afwijzing daarvan. Gelet hierop en nu tegen de rentevordering verder niet is opgekomen zal met betrekking tot de wettelijke rente worden bepaald als gevorderd.
De wijze van verdeling van de nalatenschap
Het door gedaagde 2 en gedaagde 3 gevoerde verweer heeft zich gericht tegen de vorderingen van eiseres inzake de inbrengplicht van schenkingen en de terugbetalingsverplichting van leningen. Zij hebben echter geen inhoudelijke bezwaren naar voren gebracht tegen de voorgestelde wijze van verdeling. Gelet hierop zal de rechtbank ten aanzien van de verdeling beslissen overeenkomstig hetgeen is gevorderd.
De rechtbank zal echter niet bepalen dat dit vonnis dezelfde rechtskracht heeft als een in wettige vorm opgemaakt notariële akte dan wel in de plaats zal treden van de vooruitvoering vereiste medewerking van gedaagden, nu zij aanleiding ziet om in afwijking daarvan een notaris te benoemen ten overstaan van wie de verdeling heeft plaats te vinden, alsmede een onzijdige persoon als bedoeld in artikel 3:181 BW.
Om nu te berekenen hoeveel gedaagde 1 moet inbrengen dienen de saldi van de bankrekeningen (op het moment van verdeling) en de door gedaagde 2 en gedaagde 3 in te brengen waarden van de door hen verkregen giften, vermeerderd met rente (berekend tot het moment van verdeling), bij elkaar te worden opgeteld en vervolgens dient het aldus berekende totaalbedrag te worden gedeeld door vier. Het resultaat van deze breuk is dan de waarde die gedaagde 1 feitelijk moet inbrengen. Omdat deze waarde gelijk is aan haar aandeel, zoals bedoeld in artikel 4:233 BW, en op dit aandeel volledig in mindering komt, kan gedaagde 1 dus geen aanspraak maken op geld uit de nalatenschappen.
Voor de overige vier erfgenamen geldt dat hen een bedrag toekomt, gelijk aan het resultaat van voormelde breuk minus de waarde van de door hen in te brengen, met rente vermeerderde giften.
Als notaris ten overstaan van wie de verdeling heeft plaats te vinden, zal de rechtbank daarbij aanwijzen notaris mr. T.A. D te B. Voor het geval niet alle erfgenamen meewerken aan de verdeling, zal de rechtbank als onzijdige persoon aanwijzen advocaat mr. T.W. D.
Omdat de werkzaamheden van de notaris niet alleen de afhandeling van de nalatenschap van erflaatster zullen betreffen, maar tevens die van de nalatenschap van erflater, zal de rechtbank, voor het overige de vordering van eiseres dienaangaande volgend, bepalen dat de kosten van de notaris, die gemoeid zijn met de afhandeling van de nalatenschappen van erflaters, ten laste komen van ieder van de erven voor 1/5de deel.
De rechtbank vindt aanleiding om de proceskosten aldus te compenseren dat elk der partijen de eigen kosten draagt, zulks gelet op de tussen partijen bestaande familiebanden en de aard van het geschil.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u vragen over de verdeling van een erfenis, over de verdeling van een erfenis door de rechter of de verdeling van een erfenis ten overstaan van een notaris of een vraag over de inbreng van een schenking of gift, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.