Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Rotterdam heeft op 19 december 2018 uitspraak gedaan over de vraag of een nalatenschap was verworpen of voordien zuiver was aanvaard.
Eiseres heeft gedaagde aangesproken in haar hoedanigheid van erfgenaam van moeder. Gelet op het verweer van gedaagde dat zij de nalatenschap van moeder heeft verworpen door de verklaring ex artikel 4:191 BW op 22 februari 2018, dient te worden vastgesteld of gedaagde de nalatenschap voordien niet al zuiver had aanvaard, zoals de advocaat van eiseres heeft gesteld.
Verwerping of zuivere aanvaarding van de nalatenschap? Beschikken als heer en meester.
De rechter oordeelt als volgt.
Een erfgenaam kan een nalatenschap aanvaarden (zuiver of onder voorrecht van boedelbeschrijving) of verwerpen.
Een eenmaal gedane keuze werkt terug tot het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap.
Op grond van artikel 4:192 lid 1 BW zoals dat tot 1 september 2016 gold, aanvaardt een erfgenaam de nalatenschap zuiver door zich ondubbelzinnig en zonder voorbehoud te gedragen als een zuiver aanvaard hebbende erfgenaam.
Eiseres heeft zich – uiteindelijk – op het standpunt gesteld dat gedaagde de nalatenschap van moeder zuiver heeft aanvaard door zich na het overlijden van haar moeder gelden van de bankrekening van moeder toe te eigenen.
Gedaagde heeft tijdens de zitting verklaard dat er een bankrekening was op naam van moeder en haarzelf, die speciaal voor het pgb was.
Uit deze verklaring en het feit dat gedaagde een machtiging had van moeder om haar privé- en zakelijke belangen te behartigen, wordt afgeleid dat gedaagde kon beschikken over de gelden op de bankrekening van moeder.
Uit de (niet gedateerde) brief/e-mail van gedaagde aan haar zus volgt dat de beide zussen van gedaagde geen geld konden opnemen van de bankrekening van moeder, zodat eventuele opnames van en overboekingen vanaf de rekening van moeder na haar overlijden alleen door gedaagde kunnen zijn verricht.
Na de comparitie van partijen heeft gedaagde een mutatieoverzicht van de bankrekening van moeder overgelegd, zonder nadere toelichting. Dit is het rekeningnummer waarnaar eiseres de pgb-gelden heeft overgemaakt, blijkens haar overzicht. De enkele ontvangst van het bedrag van € 7.164,01 op 5 augustus 2014 van eiseres is inderdaad niet aan te merken als zuivere aanvaarding van de nalatenschap, zoals gedaagde heeft aangevoerd.
Echter, op het mutatieoverzicht is te zien dat na het overlijden van moeder nog diverse betalingen en geldopnamen zijn gedaan van haar bankrekening. Zo zijn op 18 augustus 2014 betalingen verricht bij een supermarkt en is op 20 augustus, 22 augustus, 7 november en 23 december 2014 geld opgenomen bij een geldautomaat.
Gedaagde heeft hier geen verklaring voor gegeven. Op 6 augustus 2014 is een bedrag van € 7.135,- overgemaakt . Dit is hetzelfde rekeningnummer als waarnaar op 4 juli 2014 een bedrag van € 7.016,39 is overgemaakt. Gedaagde heeft op de zitting verklaard dat het uitbetaalde pgb naar haar is gegaan, als vergoeding voor de zorg die zij aan moeder verleende. Gelet op de omschrijving bij de betaling op 4 juli 2014, “Salaris Juli”, wordt er dan ook vanuit gegaan dat dit geld is overgemaakt naar een rekening van gedaagde, net als de overboeking op 6 augustus 2014.
Door na het overlijden van moeder geld op te nemen van de rekening van moeder en een betaling aan zichzelf te doen, heeft gedaagde als heer en meester beschikt over de goederen van de nalatenschap, te weten over het banksaldo van de rekening van moeder.
Het beschikken over de gelden op de rekening van moeder levert in beginsel zuivere aanvaarding van de nalatenschap op.
Gedaagde heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd waarom in dit geval toch geen sprake is van zuivere aanvaarding.
Hiermee staat vast dat gedaagde de nalatenschap van moeder stilzwijgend heeft aanvaard in 2014, zodat aan haar verklaring ex artikel 4:191 BW van 24 februari 2018 geen werking toekomt.
Aangezien haar beide zussen de nalatenschap hebben verworpen, is alleen gedaagde aansprakelijk voor de schuld aan eiseres.
Gelet op het voorgaande zal de hoofdsom van € 62.358,85 worden toegewezen, te vermeerderen met € 2.811,- aan wettelijke rente hierover tot 3 oktober 2017 en de wettelijke rente over € 62.358,85 vanaf 3 oktober 2017.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de verwerping van een nalatenschap, over het verschil tussen zuivere of beneficiaire aanvaarding, over stilzwijgende aanvaarding of over het opmaken van een boedelbeschrijving, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.