Van onze advocaat verdeling erfenis. De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of het saldo van een en/of-rekening in de nalatenschap viel of toebehoorde het aan een mede-rekeninghouder. Wie had de bankrekening gevoed?

Partijen strijden over de vraag aan wie het saldo op de bankrekening toekomt; aan de stichting als enig erfgenaam van Q of aan C.

A c.s. stellen dat het saldo behoort tot de nalatenschap, omdat het geld van Q afkomstig is.

C daarentegen voert aan dat op de bankrekening haar eigen geld stond en dat het saldo dus aan haar toekomt.

Valt het saldo van een en/of-rekening in de nalatenschap of hoort het toe aan het privévermogen van de mede-rekeninghouder? Wie heeft de bankrekening gevoed?

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de beoordeling van de stellingen van partijen stelt de rechtbank voorop dat het feit dat de bankrekening zowel op naam van Q stond als op die van C, niets zegt over de vraag wie aanspraak kan maken op het saldo van deze rekening.

Volgens vaste rechtspraak komt immers het saldo van een rekening toe aan degene die het bedrag op de rekening heeft gestort.

Dit betekent dat in deze procedure de vraag centraal staat wie de bankrekening heeft gevoed.

Nu de vordering van A c.s. is gebaseerd op de stelling dat het saldo van de bankrekening volledig afkomstig is van Q en nu C dit betwist, ligt het op de weg van A c.s. om te bewijzen dat het geld op de bankrekening volledig van Q is.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn A c.s. daarin geslaagd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Vast staat dat Q al sinds de jaren ‘70 beschikte over een rekening bij UBS-bank en dat het saldo op die rekening, dat in de jaren ’80 (in ieder geval) CHF 109.084 bedroeg, in de loop der jaren is aangegroeid tot € 527.616 in 2007.

C heeft ter comparitie het standpunt ingenomen dat Q in de jaren ’80 aan haar toebehorend vermogen (door haar gesteld op een bedrag van ƒ 100.000 tot ƒ 200.000) op een op zijn naam gestelde bankrekening in Zwitserland heeft gestort, dat dit vermogen als gevolg van positieve beursontwikkelingen aanzienlijk is toegenomen en dat dit geld uiteindelijk op de bankrekening terecht is gekomen.

De bewijslast van deze stelling, die door A c.s. gemotiveerd is betwist, rust op C.

Naar het oordeel van de rechtbank is de juistheid van deze stelling van C niet komen vast te staan.

In dit verband overweegt de rechtbank dat C niet heeft onderbouwd dat zij eind jaren ’70 en begin jaren ’80 beschikte over een vermogen van enige omvang.

C heeft geen stukken in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat zij in de betreffende periode enig vermogen heeft opgebouwd.

Uit de stellingen van A c.s. blijkt eerder van het tegendeel. A c.s. hebben, daartoe verwijzend naar privé-correspondentie van C aan Q, aangevoerd dat C omstreeks 1985 failliet is verklaard en dat zij in die periode moest leven van een uitkering.

C heeft die stellingen niet inhoudelijk bestreden, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan. Bij die stand van zaken ligt het niet voor de hand dat C in de betreffende periode beschikte over enig vermogen.

Nog afgezien daarvan heeft C haar stelling dat Q op haar verzoek aan haar toebehorend vermogen heeft gestort op een op zijn naam gestelde Zwitserse bankrekening, op geen enkele wijze onderbouwd.

Zelfs als zou moeten worden aangenomen dat C begin jaren ’80 beschikte over een eigen vermogen van enige omvang (wat, zoals hiervoor overwogen, niet het geval is), is dus niet komen vast te staan dat het geld op de UBS-rekening van Q afkomstig is van C.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat het saldo op de bankrekeningen toebehoorde aan Q.

De volgende vraag die partijen verdeeld houdt, is van wie het saldo op de op naam van C gestelde bankrekening afkomstig is.

A c.s. stellen dat Q (een deel van) het saldo van de rekening op de bankrekening heeft gestort; C heeft deze lezing bestreden.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn A c.s. erin geslaagd bewijs te leveren van de juistheid van hun stellingen. Daartoe geldt het volgende.

Tussen partijen is niet in geschil dat Q op 15 juni 2007 het aan hem toebehorende saldo van de bankrekening (te weten bedragen van CHF 144.453,70 en € 439.022,97) contant heeft opgenomen.

Evenmin is in geschil dat de bankrekening op 11 juni 2007, dus enkele dagen daarvoor, is geopend.

A c.s. hebben gemotiveerd betoogd dat Q, die in de betreffende periode samen met C in Zwitserland verbleef, het door hem in euro’s opgenomen bedrag heeft gestort op de bankrekening.

Hiertoe hebben A c.s. er onder meer op gewezen dat het saldo van € 367.465, dat in maart 2009 op de bankrekening stond, gelet op de dalende beurskoersen in de betreffende periode, ongeveer correspondeert met het door Q in juni 2007 opgenomen bedrag van € 439.022,97.

C heeft de laatste stellingen niet, althans niet gemotiveerd, bestreden.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat bij de opening van de bankrekening een bedrag van ongeveer € 439.022,97 door Q op de rekening is gestort.

A c.s. hebben bovendien gemotiveerd betoogd dat het niet anders kan dan dat het in euro’s opgenomen bedrag op de bankrekening is gestort.

Daartoe hebben zij gesteld dat Q weinig geld uitgaf, dat hij bij zijn overlijden geen bankrekeningen had waarop een bedrag van (ongeveer) deze omvang stond en dat er tussen zijn bezittingen evenmin contant geld is aangetroffen.

C heeft deze stellingen niet, althans niet gemotiveerd, bestreden.

De rechtbank gaat er daarom vanuit dat Q het bedrag dat hij op 15 juni 2007 in euro’s heeft opgenomen van de bankrekening, vervolgens heeft gestort op de andere bankrekening.

C heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht die dit weerleggen. De rechtbank overweegt ten aanzien van dat laatste als volgt.

Hoewel C daartoe ter comparitie uitdrukkelijk in de gelegenheid is gesteld, heeft zij nagelaten informatie in het geding te brengen over het saldo van de bankrekening bij opening daarvan.

Evenmin heeft zij enig stuk in het geding gebracht waaruit kan worden afgeleid dat het geld dat op de bankrekening is gestort, haar privévermogen is.

Voor zover C zich op het standpunt heeft gesteld dat het saldo op de bankrekening haar eigen geld was, heeft zij dit standpunt dus niet onderbouwd. De rechtbank gaat daarom aan het verweer van C voorbij.

Dit betekent dat is komen vast te staan dat het saldo van de op naam van C gestelde bankrekening afkomstig is van Q.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de vereffening en verdeling van een erfenis, over de omvang van een erfenis of over de vraag of het saldo van een bankrekening in de nalatenschap valt of in privé-eigendom toebehoort, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.