Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 maart 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een schuld uit hoofde van een lening van één van de kinderen aan de nalatenschap was verjaard.
Geïntimeerde en appellanten zijn de kinderen van E, overleden in 2005 (hierna vader) en F, overleden in 2012 (hierna moeder)
Van de lening van fl. 900.000,-, omgerekend € 408.402,19, die geïntimeerde op 27 juli 1987 bij de overname van de boerderij ter financiering van de koopsom bij vader heeft afgesloten stond bij het overlijden van moeder nog € 307.525,- open.
De rechtbank heeft het beroep van geïntimeerde op verjaring van deze lening en de verschenen rentetermijnen gehonoreerd en het nog openstaande bedrag bij de verdeling buiten beschouwing gelaten.
Appellanten kunnen zich hier niet mee verenigen.
Naar hun mening heeft geïntimeerde de lening bij verschillende gelegenheden erkend.
Nog afgezien daarvan achten appellanten het beroep van geïntimeerde op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Erfrecht. Verdeling nalatenschap. Is de schuld uit hoofde van een lening van één van de kinderen aan de nalatenschap verjaard? Erkenning? Redelijkheid en billijkheid.
De rechter oordeelt als volgt.
Aangezien de lening is afgesloten op 27 juli 1987 en de lening met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden terstond opeisbaar was is de verjaringstermijn gaan lopen met ingang van 27 oktober 1987, zodat de lening met inachtneming van artikel 3:307 lid 2 BW op 27 oktober 2007 was verjaard, tenzij er sprake is geweest van stuiting van de rechtsvordering tot nakoming door een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling (artikel 3:317 BW) dan wel door erkenning (artikel 3:318 BW).
Gesteld, noch gebleken is van een schriftelijke aanmaning of schriftelijke mededeling van vader en moeder of appellanten waarin zij zich het recht op nakoming ondubbelzinnig hebben voorbehouden.
Daarentegen hebben appellanten wel verschillende feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit volgens hen blijkt dat er sprake is van erkenning van de lening door geïntimeerde.
Het gaat daarbij om het navolgende.
Geïntimeerde heeft in de loop van de jaren enkele keren zijn bedrijf opnieuw gefinancierd, waarbij telkens toestemming nodig was van moeder, dan wel appellanten in verband met het ter verzekering van de terugbetaling van de lening op de boerderij en landerijen gevestigde recht van eerste hypotheek. Voor het laatst is daarvan nog sprake geweest in 2014.
Moeder heeft geïntimeerde jaarlijks een bedrag geschonken, welk bedrag in mindering werd gebracht op de hoofdsom.
Geïntimeerde heeft die schenkingen aanvaard, wat onder meer blijkt uit het telkenjare kleiner worden van de hoofdsom met het bedrag van de schenkingen.
Geïntimeerde heeft als gevolmachtigde in de aangifte voor de successierechten de lening opgenomen als een schuld van hem aan de nalatenschap.
In het overzicht van de verdeling van 7 augustus 2013, dat is opgesteld op verzoek van geïntimeerde, waarbij niet duidelijk is of dat is gebeurd in zijn hoedanigheid van gevolmachtigde, dan wel voor zichzelf, is de lening eveneens als een schuld van geïntimeerde aan de nalatenschap opgenomen.
Op 5 mei 2014 hebben drs. G en H zich namens geïntimeerde tot appellanten gericht en zijn er daarbij vanuit gegaan dat geïntimeerde nog steeds een schuld uit hoofde van de lening heeft die in de nalatenschappen valt.
Het hof stelt vast dat op basis van de door appellanten aangevoerde feiten niet valt na te gaan of de schuld uit hoofde van de lening door geïntimeerde in de periode tot 27 oktober 2007, de datum waarop de verjaring in beginsel was voltooid, tegenover zijn vader, moeder of appellanten is erkend, anders dan door een aflossing meteen in 1987, zodat er vanuit moet worden gegaan dat de verjaring evenmin door erkenning is gestuit.
De volgende vraag die moet worden beantwoord is of het beroep van geïntimeerde op verjaring van de schuld uit hoofde van de lening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat zowel geïntimeerde als appellanten er voortdurend vanuit zijn gegaan dat geïntimeerde een schuld had aan de nalatenschap en dat zij en hun moeder daar ook naar hebben gehandeld.
Zo heeft geïntimeerde telkens kenbaar gemaakt aan appellanten dat de schuld met de daaraan gekoppelde hypothecaire zekerheid nog bestond.
Dat heeft hij niet alleen als gevolmachtigde gedaan, maar ook als deelgenoot in de nalatenschappen.
Als gevolmachtigde vertegenwoordigde hij namelijk ook zichzelf als deelgenoot.
Hij heeft ter zake geen voorbehoud gemaakt.
Daarnaast heeft hij nog in 2014 als deelgenoot G en H appellanten laten benaderen voor het zoeken van een oplossing met betrekking tot de schuld en het recht van eerste hypotheek.
Pas in de procedure bij de rechtbank heeft geïntimeerde zich voor het eerst beroepen op verjaring.
Dat acht het hof gelet op alles wat daar in de loop van de jaren aan vooraf was gegaan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
De stelling van geïntimeerde dat appellanten in strijd met de twee-conclusieregel hebben gehandeld door het beroep op de redelijkheid en billijkheid eerst bij pleidooi behoorlijk in te kleden en te structureren verwerpt het hof.
Appellanten hebben de verschillende punten ter onderbouwing van hun stelling op een rij gezet en wellicht in een enigszins andere vorm gepresenteerd, maar dat is eigen aan een pleidooi.
Zij hebben zich daarbij niet op nieuwe feiten en/of omstandigheden beroepen.
En voor zover daar toch sprake van mocht zijn geweest is het hof daar bij de vaststelling van de feiten aan voorbij gegaan, zoals hiervoor is overwogen.
Dat betekent dat het bedrag van de lening dat nog openstaat, € 307.525,- bij de verdeling dient te worden betrokken, vermeerderd met de overeengekomen rente van 4 % vanaf 30 oktober 2011 tot de datum van terugbetaling van de lening, onderscheidenlijk het tijdstip van verdeling van de nalatenschappen.
Het beroep van geïntimeerde op verjaring van de verschenen rentetermijnen slaagt niet, omdat appellanten rente hebben gevorderd vanaf 30 oktober 2011 en zij geïntimeerde hebben gedagvaard op 22 mei 2015.
De in artikel 3:308 BW genoemde verjaringstermijn van vijf jaren was op dat moment nog niet verstreken.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over verjaring in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.