De Rechtbank Amsterdam heeft op 6 juli 2021 uitspraak gedaan in kort geding over de vraag of er een rechtmatig belang bestond bij de afgifte van stukken ter informatie van de erfgenaam over de nalatenschap.
Gedaagden zijn de kinderen van A, hierna de erflater.
Erflater heeft niet bij testament over zijn nalatenschap beschikt zodat gedaagden zijn enige erfgenamen zijn, ieder voor de helft.
Zij hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard en zijn gezamenlijk vereffenaar.
De vordering van eiseres in dit kort geding is gebaseerd op artikel 843a Rv.
Voor toewijsbaarheid van een dergelijke vordering is in ieder geval vereist dat degene die de vordering instelt op dat moment een rechtmatig en spoedeisend belang heeft.
Verder is uitgangspunt dat de rechter die in kort geding moet beslissen op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening, haar vonnis dient af te stemmen op het oordeel van de bodemrechter.
Eiseres stelt rechtmatig belang te hebben bij haar vordering op de volgende gronden.
In de door haar bij dagvaarding van 17 april 2020 gestarte bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag vordert zij de nietigheid of vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst.
Dat rechtsgevolg wordt enkel bepaald door de inhoud van de door haar in dit kort geding op grond van artikel 843a Rv gevorderde stukken; alleen met die stukken is vast te stellen of hetgeen gedaagden stellen rechtens juist en volledig is.
Gedaagden voeren daartegen in de eerste plaats aan dat eiseres in eerdere procedures al tevergeefs, en met name in de lopende bodemprocedure bij de rechtbank Den Haag op grond van artikel 22 Rv, om dezelfde stukken heeft gevraagd als die zij nu in kort geding vordert.
Laatstelijk de rechtbank Den Haag heeft dat verzoek tijdens de comparitie op 26 april 2021 niet gehonoreerd en eiseres gebruikt nu dit kort geding als verkapt hoger beroep en dat is niet geoorloofd.
Daarnaast betwisten gedaagden gemotiveerd dat eiseres nog schuldeiser van de nalatenschap van hun vader zou zijn, dat zij eiseres onjuist zouden hebben voorgelicht over de toestand van die nalatenschap en dat zij hun taken als vereffenaar niet correct zouden hebben verricht.
In het geval dat de vaststellingsovereenkomst vernietigd mocht worden en indien haar vordering op een groter bedrag wordt vastgesteld dan zij reeds heeft ontvangen, dan zijn gedaagden als vereffenaar gehouden aan eiseres haar (extra) vordering op de nalatenschap te voldoen.
Zolang aan die verplichting wordt voldaan heeft eiseres geen enkel recht en belang op informatie over de omvang van de nalatenschap.
In dat licht is de vordering op dit moment nog niet aan de orde.
Erfrecht. Kort geding. Recht op informatie van de erfgenaam over de nalatenschap. Inzage of afgifte van stukken? Rechtmatig belang? Proceskosten.
De rechter oordeelt als volgt.
De voorzieningenrechter constateert dat niet duidelijk is geworden waarom eiseres de onderhavige vordering niet heeft ingesteld in een incident in de lopende bodemprocedure in Den Haag of anders bij de voorzieningenrechter Den Haag, hetgeen uit een oogpunt van proces-economie meer voor de hand had gelegen.
Met betrekking tot de gevorderde bescheiden geldt het volgende.
Verstrekking van stuk A (origineel afschrift van de boedelbeschrijving) is al door de kantonrechter op 19 oktober 2019 afgewezen, omdat artikel 4:211 lid 3 BW een recht op inzage geeft, niet op afschrift.
Eiseres heeft van haar recht op inzage ook daadwerkelijk gebruik gemaakt, getuige de in dit kort geding door haar overgelegde kopieën van de boedelbeschrijving.
Hoe dan ook is er geen reden om nu in kort geding van dit oordeel van de bodemrechter af te wijken.
Eiseres stelt weliswaar dat zij rechtmatig belang heeft bij afgifte, omdat zij slechts beschikt over fotokopieën, hetgeen het kunnen vaststellen van de juistheid en betrouwbaarheid van de neergelegde boedelbeschrijving in de weg staat, terwijl zij daar als enig schuldeiser recht en belang bij heeft.
Dat is echter geen nieuw argument.
Bovendien moet er, zoals eerdere rechters ook al hebben geoordeeld, zolang de vaststellingsovereenkomst niet bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is aangetast vanuit worden gegaan dat eiseres geen schuldeiser meer is van de nalatenschap omdat partijen elkaar in de vaststellingsovereenkomst over en weer finale kwijting hebben verleend.
De thans gevorderde stukken stonden ook al in de door eiseres op 22 april 2021 bij de rechtbank Den Haag ingediende brief, terwijl eiseres in de akte van 7 april 2021 uitdrukkelijk een beroep op artikel 22 Rv had gedaan.
Het is de voorzieningenrechter niet bekend of de Haagse bodemrechter dat verzoek en dat beroep heeft besproken tijdens de als gevolg van de wraking door eiseres afgebroken zitting op 26 april 2021.
Uit de door gedaagden overgelegde beslissing van de wrakingskamer 14 juni 2021 is dat niet op de maken.
Indien de kwestie niet op die zitting besproken zou zijn, was het aan eiseres om op de rol van 30 juni 2021 te vragen om voortzetting van de behandeling.
Hoe dit ook zij, het zou niet juist zijn als de Amsterdamse voorzieningenrechter de Haagse bodemrechter voor de voeten zou lopen door bij voorlopige voorziening te oordelen over een vraag die ten gronde ook bij die bodemrechter voorligt en zeker niet als zij daarop al zou hebben beslist.
Stuk G tenslotte lijkt samen te hangen met stuk E.
Het rechtmatig belang bij afgifte is in ieder geval onvoldoende onderbouwd.
Dit zijn voldoende redenen om de vordering af te wijzen.
De overige stellingen behoeven dan ook geen bespreking.
De conclusie is dat eiseres op dit moment onvoldoende (spoedeisend) rechtmatig belang heeft bij toewijzing van de gevraagde voorzieningen door de voorzieningenrechter Amsterdam.
Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
Compensatie van de proceskosten is, hoewel partijen in een zekere familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, mede gelet op de voorgeschiedenis niet aan de orde omdat dit kort geding bij deze rechtbank als een minst genomen voorbarig door eiseres gestarte procedure kan worden aangemerkt.
Het voert echter te ver om in dit stadium van misbruik van procesrecht te spreken of van onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure, zodat er (nog) geen grond is voor het bij uitzondering toewijzen van de gevraagde werkelijke proceskosten.
De hoogte van de kosten zal zoals gebruikelijk worden bepaald met toepassing van het liquidatietarief.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over het recht op informatie in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.