De Rechtbank Noord-Nederland heeft op 26 januari 2022 uitspraak gedaan over de vraag of de gemaakte kosten voor waardering van onroerend goed tot de schulden van de nalatenschap behoorden.
Partijen zijn de kinderen van vader en moeder, die zijn overleden op 12 juli 2003 respectievelijk 2 mei 2019 (hierna te noemen: vader en moeder).
Vader en moeder waren in gemeenschap van goederen gehuwd.
Vader is op 12 juli 2003 overleden onder achterlating van moeder en partijen als zijn gezamenlijke erfgenamen, ieder voor één/achtste deel.
Bij testament van 18 oktober 1976 heeft vader als volgt over zijn nalatenschap beschikt:
“Ik legateer aan mijn echtgenote (moeder), voor het geval mijn huwelijk met haar door overlijden wordt ontbonden:
de inboedelgoederen als bedoeld in artikel 570 van het Burgerlijk Wetboek;
alle overige roerende- en onroerende goederen mijner nalatenschap of wel zodanig gedeelte dier goederen of zodanig goed, als zij zal verkiezen, onder de verplichting voor haar om in mijn nalatenschap in te brengen de waarde, per mijn sterfdag, van de door haar aanvaarde goederen, vast te stellen in minnelijk overleg;
het vruchtgebruik van dat gedeelte mijner nalatenschap dat niet door haar krachtens ab intestaat erfrecht wordt verkregen, zulks gedurende haar leven lang doch hertrouwde tot hertrouwen toe, zulks met vrijstelling van de verplichting om daarvoor zekerheid te stellen;
welke legaten door mij worden gemaakt mede ter voldoening van de op mij rustende natuurlijke verzorgingsplicht van mijn echtgenote.
Ik benoem mijn genoemde echtgenote tot executrice-testamentaire van mijn nalatenschap, beredderaarster van mijn boedel en bezorgster van mijn lijkbezorging, zulks onder toekenning van alle bevoegdheden, welke als zodanig kunnen worden verleend, speciaal het recht van inbezitneming van mijn nalatenschap tot aan de volledige afwikkeling.”
Het was de wens van vader, moeder en partijen dat gedaagde de exploitatie van de manege (uiteindelijk) zou gaan voortzetten.
Op 5 april 2006 heeft moeder aan Makelaardij B.V. te Groningen opdracht gegeven het bedrijfsgebouw waarin gevestigd de manege, met kantine en buitenbak, erf, onder- en bijgelegen grond, gelegen te Groningen (hierna te noemen: het manegegebouw) te taxeren.
Het doel van de taxatie – zo volgt uit het rapport van 3 mei 2006 – was om inzicht te verschaffen in de waarde van het object ten behoeve van de mogelijke verkoop ervan aan gedaagde.
De onderhandse verkoopwaarde van het manegegebouw is bepaald op € 460.000,00.
Gedaagde vordert dat eisers een deel van door hem betaalde notariskosten aan hem vergoeden.
Erfrecht. Bedrijfsovername. Schulden van de nalatenschap. Waardering van onroerend goed. Vergoeding van gemaakte kosten. Taxatiekosten. Notariskosten. Makelaarskosten.
De rechter oordeelt als volgt.
Uit de overgelegde afrekening van de notaris blijkt dat het gedaagde te doen is om de “notariskosten inzake de afwikkeling van het recht van koop waaronder begrepen het voeren van besprekingen, correspondentie en ondertekenen van de akte”.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt zowel een feitelijke als een juridische grondslag om eisers tot vergoeding hiervan te kunnen veroordelen.
Hiertoe overweegt de rechtbank dat de betreffende kosten betrekking hebben op de levering van de boerderij en het manegegebouw aan gedaagde ter uitvoering van het kort geding vonnis van 4 maart 2020 en dat het dus geen (door hem voorgeschoten) schuld van de nalatenschap betreft.
De enkele stelling dat eisers door hun opstelling deze extra notariskosten hebben veroorzaakt, kan ook niet leiden tot een vergoedingsplicht.
Van misbruik van bevoegdheid of onrechtmatig handelen, mocht gedaagde dat bedoeld hebben te stellen, zou pas sprake kunnen zijn als eisers op voorhand moesten begrijpen dat hun stellingen geen enkele kans van slagen hadden.
Hiervan is echter geen sprake.
Naar het oordeel van de rechtbank ontbreekt ook iedere grondslag om eisers tot vergoeding van de door gedaagde betaalde makelaarskosten te veroordelen.
Vaststaat dat het alleen gedaagde is geweest die de makelaar in 2018 opdracht heeft gegeven om het onroerend goed (opnieuw) te taxeren.
De rechtbank volgt gedaagde niet in zijn stelling dat hij de taxatie onder druk van eisers heeft laten uitvoeren en bekostigd.
Partijen hebben destijds immers gesproken en onderhandeld over de afwikkeling van de bedrijfsovername en de levering van de boerderij en het manegegebouw aan gedaagde.
In dat kader heeft gedaagde kennelijk gehoor willen geven aan de wens van de familie om het onroerend goed (opnieuw) te laten taxeren.
Het enkele feit dat eiser en overige gedaagde wel voor hun deel hebben bijgedragen in de kosten, maakt niet dat de andere kinderen daartoe ook gehouden zouden zijn.
Gelet op het voorgaande zal het gevorderde worden afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de schulden van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.