Niet zo heel vaak doet de strafrechter uitspraak in een erfrechtzaak.

In de kwestie die bij de rechtbank Overijssel op 31 mei 2017 aan de orde was ging het over een erflater die zijn enige tot erfgenaam had benoemd. De zoon was 12 jaar oud ten tijde van het overlijden van zijn vader. De erfenis was onder bewind gesteld tot de zoon 25 jaar oud zou zijn. In het testament werden twee bewindvoerders aangewezen.

De bewindvoerders, die ook tot executeur waren benoemd, hebben beide benoemingen aanvaard. De omvang van de nalatenschap was ruim € 16 miljoen.

De bewindvoerders hebben geld uit de nalatenschap geinvesteerd in het bedrijf van één van hen. Dit bedrijf is failliet gegaan. Totaal ging het om een bedrag van € 4 miljoen, waarvan een deel “leningen” werden genoemd. De curator heeft de kantonrechter geinformeerd, de bewindvoerders zijn ontslagen en er is een nieuwe bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder heeft aangifte van verduistering gedaan tegen de twee eerste bewindvoerders.

De rechtbank heeft als volgt geoordeeld in de strafzaak tegen één van de bewindvoerders:

“Ërflater heeft in zijn testament bepaald dat op het bewind mede de wettelijke bepalingen omtrent het voogdijbewind van toepassing zijn. Hieruit volgt dat de bewindvoerders ex artikel 1:350 BW machtiging van de kantonrechter nodig hebben voor elke belegging van gelden van de minderjarige. Niet gebleken is dat de kantonrechter deze machtiging voor het lenen van geld uit de nalatenschap aan [bedrijf 1] / [handelsnaam] heeft verleend.

Ook is niet gebleken dat de concrete geldleningen vooraf, dan wel achteraf bij de kennelijk jaarlijks aan de kantonrechter afgelegde rekening en verantwoording door de bewindvoerders ter sprake zijn gebracht.

[…..] Daarvoor is het volgende van belang. De hiervoor onder 4.1 gemelde bedragen zijn alle overgeboekt voordat de bijbehorende overeenkomst van geldlening was ondertekend.[…..]. Door [bedrijf 1] / [handelsnaam] is voor het aangaan van de leningen geen enkele vorm van zekerheid gesteld, terwijl het substantiële bedragen uit het vermogen van [slachtoffer] betrof. Er is daarentegen zelfs een achtergestelde lening voor een bedrag van € 700.000,- overeengekomen. […..]. Niet gebleken is dat er rentebetalingen hebben plaatsgevonden. Ook is er, in strijd met de schriftelijk gemaakte afspraken, na afloop van de looptijd van de verschillende leningen niet éénmaal een bedrag afgelost. […..]. Met de geleende gelden werden door [bedrijf 1] / [handelsnaam] schulden aan derden afgelost. Hiermee vloeiden de gelden weg, zonder dat door [bedrijf 1] / [handelsnaam] enige vorm van zekerheid was verstrekt. Zowel verdachte als [verdachte 2] hadden wetenschap van het vorenstaande.

De conclusie is dan ook dat de nalatenschap door verdachte en [verdachte 2] puur als financieringsinstrument, als ware het een bank, is gebruikt zodat [bedrijf 1] aan haar financiële verplichtingen jegens derden kon voldoen, zelfs zonder dat ten behoeve van de nalatenschap enige vorm van zekerheid is bedongen of verkregen, zo dit al mogelijk zou zijn geweest. De kantonrechter heeft in het gesprek op 11 april 2011 eveneens geoordeeld dat als bedragen uit de nalatenschap gebruikt zijn om schulden van [handelsnaam] te betalen, dat wat anders is dan beleggen.

[…..] De betalingen aan [bedrijf 1] / [handelsnaam] , onder meer die van € 2.000.000,- op 17 maart 2008, heel kort na de verstrekte machtiging van 14 maart 2008 en die alleen mogelijk was juist vanwege die verstrekte machtiging, waren geen verplichtingen van de nalatenschap en kunnen ook daarom niet onder bedoelde machtiging van de kantonrechter worden geschaard. Met het doen van de betalingen uit de nalatenschap in de vorm van de geldleningen aan [bedrijf 1] / [handelsnaam] zijn verdachte en [verdachte 2] buiten hun bevoegdheid van bewindvoerder getreden, nu deze betalingen zijn gedaan zonder de vereiste machtiging van de kantonrechter.

Er is dus sprake van het medeplegen van opzettelijk wederrechtelijk, als heer en meester, als bewindvoerder beschikken over het geld van de nalatenschap.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.”

De bewindvoerder krijgt een gevangenisstraf van 24 (vierentwintig) maanden ​en moet een bedrag van € 4 miljoen betalen aan de zoon van erflater.