Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 2 februari 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een erflater een maandelijkse betalingsverplichting tegenover moeder was aangegaan, die bij zijn overlijden op de erven was overgegaan.
Appellant en geïntimeerde zijn de kinderen van B, de erflater, hierna genoemd de vader.
De vader heeft voor het laatst over zijn nalatenschap beschikt bij testament van 12 maart 1985.
Tevens heeft de vader een aanvullend testament gemaakt op 16 april 1987.
Appellant en geïntimeerde zijn enig erfgenamen van de vader, ieder voor de helft.
Geïntimeerde heeft de nalatenschap op 30 augustus 2012 beneficiair aanvaard.
Appellant heeft primair gesteld dat de vader en de broer van de vader (F) door het overlijden van opa (de man van Oma) diens onroerende goed hebben geërfd/hebben overgenomen.
Dit was een bedachte constructie om erfbelasting te besparen wanneer ook Oma zou komen te overlijden.
Omdat Oma zodoende onderbedeeld achterbleef, hebben de vader en F zich verplicht om haar maandelijks een onderhoudsbijdrage te betalen.
Deze verplichting berust op een gemaakte afspraak tussen Oma, de vader en F.
Eerst bedroeg deze vergoeding € 1.000,- per broer per maand, en sinds begin 2012 is deze verlaagd naar € 500,- per broer per maand.
Deze bedragen konden worden bekostigd uit de verhuur van het onroerend goed, en later uit de opbrengst van de verkoop daarvan.
De betalingsverplichting is volgens appellant overgegaan op de erfgenamen van de vader, en is daarmee een schuld van de nalatenschap.
Erfrecht. Schulden van de nalatenschap. Had erflater een maandelijkse betalingsverplichting tegenover moeder, die op de erven is overgegaan? Bewijslast. Onherroepelijke schenking?
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof stelt het volgende voorop.
Indien er sprake was van een verplichting van de vader tot het doen van een maandelijkse uitkering aan Oma tot aan haar overlijden, én deze verplichting is blijven bestaan na het overlijden van de vader (en aldus is overgegaan op zijn erfgenamen), brengt dat mee dat sprake is van een schuld van de nalatenschap.
De bewijslast van deze beide stellingen rust op appellant als de partij die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroept.
Ter voldoening aan de op hem rustende stelplicht heeft appellant overgelegd een e-mail van de broer van de vader van 7 oktober 2012.
Hieruit blijkt volgens appellant de gemaakte afspraak tussen de vader, F en Oma, en ook dat die afspraak het directe gevolg is van de wijze van verdeling van de nalatenschap van opa en de geldelijke verplichting die de vader en F als gevolg hiervan jegens Oma hadden.
Zo nodig biedt appellant hier nader bewijs van aan door middel van het doen horen van F als getuige.
Verder wijst appellant op het feit dat de gemaakte maandelijkse betalingsafspraak door geïntimeerde is erkend.
Geïntimeerde betwist niet dat er na het overlijden van opa een financiële afspraak zou kunnen zijn gemaakt tussen Oma, F en de vader.
Geïntimeerde betwist wel dat deze verplichting op haar als erfgenaam van de vader is overgegaan.
F en de vader voelden blijkbaar de morele verplichting om een dergelijke financiële afspraak met Oma te maken.
Later hebben zij in onderling overleg, waarbij niet duidelijk is of Oma hier ook mee heeft ingestemd, de bijdrage naar beneden bijgesteld.
Het heeft er volgens geïntimeerde alle schijn van dat de morele verplichting te allen tijde kon worden aangepast en dat Oma over voldoende financiële middelen beschikte om (in ieder geval) een verlaging mogelijk te maken.
Er is geen berekening gemaakt waaruit blijkt voor welk bedrag F en de vader bevoordeeld waren uit de nalatenschap van opa ten opzichte van Oma en of ze nog een schuld hadden bij Oma.
Niet is gebleken dat tussen de vader en Oma sprake was van een rechtens afdwingbare verplichting.
De morele verplichting van de vader tegenover Oma is met de dood van de vader tenietgegaan.
Het hof is van oordeel dat appellant tegenover de gemotiveerde betwisting van geïntimeerde onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit een rechtens afdwingbare verplichting van de vader ten opzichte van Oma blijkt.
Zo heeft appellant nagelaten met stukken te onderbouwen dat hij en F zijn overbedeeld en/of bevoordeeld bij de afwikkeling van de nalatenschap van opa, als gevolg waarvan er vervolgens een afgesproken betalingsverplichting tegenover Oma is ontstaan, zoals appellant heeft betoogd.
Evenmin is inzichtelijk gemaakt waaruit deze verplichting dan precies zou bestaan, en dat Oma deze betalingen kon afdwingen.
Appellant heeft al met al niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht.
Daarom wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Appellant heeft voorts nog betoogd dat voor zover de vader niet uit hoofde van verdeling (hof: van de nalatenschap van opa) een betalingsverplichting jegens Oma had, zijn betalingen aan Oma moeten worden gekwalificeerd als schenkingen.
Er is immers sprake van verrijking van Oma, verarming van de vader en een vrijgevigheidsbedoeling, zoals volgens appellant blijkt uit de verklaring van F.
Uit deze verklaring volgt ook dat de afspraak zag op de periode tot aan het overlijden Oma en daaruit blijkt volgens appellant dat de schenkingen niet kunnen worden herroepen.
Vanwege het onherroepelijke karakter van de schenkingen is van een afwijking van artikel 6:222 BW geen sprake, en is dit een verplichting/schuld die niet ex artikel 4:7 lid 1 sub a BW met de dood van erflater teniet is gegaan.
Geïntimeerde heeft hiertegenover gesteld dat indien er al sprake zou zijn geweest van schenkingen, deze altijd herroepelijk zijn geweest en aldus met de dood van de vader zijn vervallen.
Uit geen enkel stuk blijkt dat er sprake was van onherroepelijke schenkingen.
Geïntimeerde heeft uiteengezet dat blijkt dat het de vader en F vrij stond om de financiële bijdrage naar beneden bij te stellen en dat dit betekent dat zij ook in onderling overleg met elkaar hebben kunnen afspreken dat de financiële verplichting ophield.
Met inachtneming hiervan kan worden geconcludeerd dat de gemaakte “morele” afspraak wel herroepelijk en voor wijziging vatbaar was.
Het hof is van oordeel dat appellant zijn stelling dat er sprake is geweest van een onherroepelijke toezegging tot het doen van maandelijkse schenkingen aan Oma niet heeft onderbouwd.
Integendeel, zijn eerdere betoog over de verplichting tot maandelijkse betalingen aan Oma vanwege de bevoordeling van de vader en F bij de afwikkeling van de nalatenschap van opa, staat haaks op het bij een schenking vereiste vrijgevigheidsmotief.
Óf er is sprake geweest van een afspraak, welke afspraak appellant onvoldoende heeft onderbouwd, óf van een door de vader en zijn broer gevoelde morele verplichting.
Voor dit laatste geldt dat nakoming daarvan niet als schenking kan worden aangemerkt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over de schulden van de nalatenschap, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.