Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 23 juni 2020 uitspraak gedaan over de vraag of er afstand was gedaan van een fideï-commissaire last in een testament.
Tussen partijen is in geschil of appellante rechten kan ontlenen aan de verklaring van de echtgenote van erflater opgenomen in de notariële akte van 7 oktober 2008 en of de echtgenote van erflater haar verklaring in deze notariële akte nog kon herroepen alsmede de hoogte van het bedrag dat appellante toekomt vanwege de door de erflater ten behoeve van haar gemaakte fideï-commissaire erfstelling.
Erfrecht. Testament. Fideï-commissaire last. Herroeping. Afstand van recht? Overgangsrecht.
De rechter overweegt als volgt.
Het testament van de erflater is in 1971 gemaakt en de nalatenschap van erflater, met daarin een making over de hand, is in 1976 opengevallen.
Op de voet van artikel 68a en artikel 132 Overgangswet NBW is het sinds 1 januari 2003 geldende erfrecht in dezen van toepassing.
Het huidige erfrecht merkt makingen over de hand aan als voorwaardelijke makingen en regelt deze makingen in het bijzonder in afdeling 4.4.5 BW (Makingen onder tijdsbepaling en onder voorwaarde).
Op grond van de fiduciaire making in het testament van de erflater was de echtgenote van erflater onder ontbindende voorwaarde gerechtigd tot de goederen van zijn nalatenschap en appellante onder de opschortende voorwaarde dat zij nog leeft op het moment van overlijden van de echtgenote van erflater (artikel 4:137 BW).
Tot de vervulling van de opschortende voorwaarde werd de echtgenote van erflater als de enige rechthebbende aangemerkt voor zover het betrof de door en tegen derden uit te oefenen rechten en rechtsvorderingen en waren voor het overige, zolang de vervulling van de voorwaarde onzeker was, de bepalingen van het vruchtgebruik, zoals geregeld in titel 8 Boek 3 BW, van overeenkomstige toepassing (artikel 4:138 BW).
Er bestond aldus tussen de echtgenote van erflater en appellante een goederenrechtelijke rechtsverhouding.
De erflater heeft in zijn testament de echtgenote van erflater de bevoegdheid tot vervreemding en vertering toegekend.
Daarvan kon zij gebruik maken en daarvan kon zij afzien.
Het was aan haar te bepalen ten laste van welk vermogen – het bezwaarde of het eigen vrije vermogen – zij uitgaven zou doen.
Een rangorde heeft de erflater niet vastgesteld.
De vraag is of de echtgenote van erflater in de akte van 7 oktober 2008 van voormelde bevoegdheid tot verteren van het bezwaarde vermogen (on)voorwaardelijk heeft afgezien en of als gevolg daarvan voor de echtgenote van erflater en haar rechtsopvolger onder algemene titel een verplichting tot vergoeding is ontstaan jegens appellante.
Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.
Vaststaat dat tussen de echtgenote van erflater en de echtgenoot van appellante de mogelijkheid voor de echtgenote van erflater niet verder in te teren op het bezwaarde vermogen is besproken, dat vervolgens de notaris is ingeschakeld en dat de echtgenote van erflater in het bijzijn van de echtgenoot van appellante en de notaris en daarna ook in een gesprek onder vier ogen met de notaris heeft bevestigd dat zij het bezwaarde vermogen in stand wilde laten.
De notaris heeft vervolgens een conceptakte opgemaakt, waarna de echtgenote van erflater de akte in het bijzijn van de notaris en haar buurvrouw op 7 oktober 2008 heeft ondertekend.
In deze akte heeft de echtgenote van erflater onder meer verklaard als hiervoor weergegeven en daarmee haar op een rechtsgevolg gerichte wil schriftelijk vastgelegd.
Die wil hield in dat de opnames die zij vanaf 1 januari 2007 deed ten laste van het in de akte gemelde effectendepot en als te blijken uit de dagafschriften en het aan de akte gehechte overzicht, moesten worden gezien als leningen uit het bezwaarde vermogen en dat zij alleen dan pas zou interen op het bezwaarde vermogen indien en zodra haar eigen vermogen niet meer voldoende was.
Zij heeft in de akte van 7 oktober 2008 geen voorwaarde verbonden aan haarwilsverklaring.
Op 16 oktober 2008 is de akte toegezonden aan de echtgenoot van appellante en geïntimeerde heeft niet (voldoende) betwist dat appellante op dat moment heeft kennis genomen van de inhoud daarvan.
De notaris heeft, zo heeft hij verklaard in zijn brief van 5 mei 2019, aan de echtgenote van erflater gevraagd “of ik een kopie naar echtgenoot van appellante mocht sturen: geen bezwaar, want dan kon hij zien dat zij haar belofte om het bezwaarde vermogen in stand te houden op papier had gezet.”
Uitgaande van het voorgaande heeft de echtgenote van erflater niet zozeer afstand gedaan van haar bevoegdheid tot verteren, maar een rang- of volgorde van in-/vertering bepaald tussen het bezwaarde en het eigen vrije vermogen.
Dat de bedoeling van de erflater was dat de echtgenote van erflater verzorgd zou achterblijven staat daaraan niet in de weg, net zomin of, en zo ja, in hoeverre de echtgenote van erflater voor 1 januari 2007 al had ingeteerd op het bezwaarde vermogen.
Door de toezending van de akte met instemming van de echtgenote van erflater en de kennisneming van de inhoud daarvan door appellante in samenhang met hetgeen hieraan is voorafgegaan, heeft de echtgenote van erflater zich jegens appellante verbonden en bij appellante het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat zij het bezwaarde vermogen intact zou laten zolang de echtgenote van erflater nog over eigen vrij vermogen beschikte en dat, als de echtgenote van erflater uitgaven deed uit het bezwaarde vermogen, deze moesten worden gezien als leningen ten behoeve van het bezwaarde vermogen en ten laste van de echtgenote van erflater ’ eigen vrije vermogen in die zin dat vergoedingsrechten ontstonden ten behoeve van het bezwaarde vermogen en ten laste van het eigen vrije vermogen.
In zoverre is de gevorderde verklaring voor recht niet toewijsbaar.
Het hof kan niet uitsluiten dat de echtgenote van erflater, zoals geïntimeerde heeft aangevoerd, de wil heeft gehad / geuit (aan de notaris) de door haar vastgelegde rang- of volgordebepaling te kunnen herroepen, maar omdat zij deze wil tot herroeping niet schriftelijk heeft vastgelegd in de akte van 7 oktober 2008 en ook niet schriftelijk bij de toezending van de akte aan (de echtgenoot van) appellante of anderszins gericht kenbaar heeft gemaakt, is het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat voormelde rang- of volgorde zou gelden zolang de echtgenote van erflater over eigen vermogen beschikte.
Als het de bedoeling van de echtgenote van erflater was geweest dat zij de toezegging te allen tijde zou kunnen herroepen, had het op de weg van de notaris gelegen dit als onderdeel van de verklaring van de echtgenote van erflater in deze akte op te nemen.
Dat de akte van 7 oktober 2008 niet (volledig) de echtgenote van erflater ’ bedoeling bevatte kan appellante niet worden tegengeworpen.
Weliswaar heeft de echtgenote van erflater in haar testament van 7 mei 2009 verklaard dat zij de verklaring inzake het bezwaarde vermogen in de akte van 7 oktober 2008 herroept, maar dit doet geen afbreuk aan het eerder bij appellante opgewekte gerechtvaardigde vertrouwen.
De echtgenote van erflater was ook nog gebonden aan de verbintenis, omdat de echtgenote van erflater appellante niet ervan op de hoogte heeft gesteld dat zij op haar wilsverklaring wilde terugkomen.
Het bij toeval kennis nemen van de herroeping in het testament is onvoldoende om geen gebondenheid meer aan te nemen.
Aangezien vaststaat dat de echtgenote van erflater bij haar overlijden nog steeds het in de akte van 7 oktober 2008 bedoelde registergoed in eigendom had en dit na haar overlijden is verkocht en geleverd tegen een koopsom van ruim € 500.000,-, is de voorwaarde bij de verklaring in de akte van 7 oktober 2008 (dat zij pas zal interen op het bezwaarde vermogen op het moment dat haar eigen vrije vermogen niet meer voldoende is) niet vervuld en is een vergoedingsrecht ontstaan ten laste van de nalatenschap van de echtgenote van erflater ten behoeve van het bezwaarde vermogen en om die reden voor appellante.
In zoverre slagen de grieven. Al hetgeen geïntimeerde in dit kader overigens nog heeft aangevoerd stuit op het voorgaande af.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over een herroeping of afstand van recht in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.