Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 22 februari 2022 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament. Was sprake van een vergissing in het testament?

Het geschil van partijen houdt in de kern het volgende in.

De Stichting stelt zich op het standpunt dat zij op grond van het testament van erflater erfgenaam is geworden.

Volgens de Stichting is zij (feitelijk) rechtsopvolgster van wat ooit de kantoorhoudende Stichting Fonds voor het Hart was.

De executeurs daarentegen stellen dat de Stichting Fonds voor het Hart niet meer bestond ten tijde van het overlijden van erflater en daarom kan zij op grond van artikel 4:56 lid 1BW geen rechten aan het testament ontlenen.

Verder stellen zij dat er geen enkele relatie bestaat tussen de ‘Amsterdamse’ en ‘Haagse’ stichting.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Vergissing in het testament? Is de stichting op grond van het testament erfgenaam geworden? Bedoeling van erflater. Toetsing.

De rechter oordeel als volgt.

Het gaat in dit geschil om de vraag hoe het testament van erflater moet worden uitgelegd, meer in het bijzonder of de Stichting daarin als erfgenaam is benoemd.

De Stichting beroept zich daartoe op artikel 4:46 lid 3 BW en stelt (samengevat) dat erflater ondubbelzinnig bedoeld heeft haar als erfgenaam aan te wijzen.

Aan artikel 4:46 lid 3 BW komt men echter pas toe indien de uitlegregels van lid 1 en 2 van dit artikel niet leiden tot een duidelijke uitleg/zin van het testament (zie Parl. Gesch. Boek 4 2002, p. 281).

Art. 4:46 lid 1 BW bepaalt dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Het tweede lid van art. 4:46 BW bepaalt overigens dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitleg van een uiterste wilsbeschikking mogen worden gebruikt indien deze uiterste wil zonder die daden of verklaringen geen duidelijk zin heeft.

Vaststaat dat ten tijde van het overlijden er geen sprake was van een gemeenschappelijke huishouding van erflater met de partner van erflater.

Dit betekent dat situatie C van toepassing is en in die situatie zijn zes stichtingen tot erfgenamen benoemd, waaronder Stichting Fonds voor het Hart.

Uit de overige bepalingen in het testament volgt dat het gaat om ‘De te Amsterdam gevestigde stichting: Stichting Fonds voor het Hart’.

Vaststaat ook dat Stichting Junio, voorheen Stichting Fonds voor het Hart geheten, ten tijde van tijde het opmaken van het testament op 29 maart 2013 niet meer bestond.

Zij was namelijk op 6 mei 2011 ontbonden.

Erflater heeft voor die situatie in zijn testament een regeling getroffen.

In dat geval wast het erfdeel van de niet meer bestaande rechtspersoon namelijk aan bij de andere erfgenamen.

Onweersproken is door de executeurs aangevoerd dat erflater in 2001 toen hij voor het eerst zijn testament liet passeren in de omstandigheid verkeerde dat hij net weduwnaar was geworden, alleenstaand was en geen nakomelingen had waaraan hij zijn aanzienlijke vermogen kon nalaten.

In die omstandigheid heeft hij zes stichtingen tot zijn erfgenamen benoemd, waaronder de Stichting Fonds voor het Hart, en deze zes stichtingen zijn in de daarop volgende testamenten steeds gehandhaafd.

Bij het passeren van de laatste versie van zijn testament op 29 maart 2013 vormde erflater een gemeenschappelijke huishouding met partner van erflater, met wie hij ook geen nakomelingen had.

Ook in deze omstandigheid heeft hij de zes stichtingen tot zijn (uiteindelijke, want via een tweetrapsmaking) erfgenamen benoemd, waaronder nog steeds de Stichting Fonds voor het Hart, aldus de executeurs.

Zoals is overwogen, staat vast dat de Stichting Fonds voor het Hart op het moment van overlijden van erflater niet meer bestond alsook dat het testament voor die situatie een regeling bevat.

Op grond daarvan wast het erfdeel van de niet meer bestaande Stichting Fonds voor het Hart aan bij de overige erfgenamen.

Nu er voor het overige geen verhoudingen of omstandigheden zijn aangevoerd die tot een andere conclusie leiden, is er geen reden om op grond van artikel 4:46 lid 1 BW van de duidelijke bewoordingen van het testament af te wijken.

Maar zelfs als met de Stichting ervan moet worden gegaan dat het testament na uitlegging op grond van artikel 4:46 lid 1 BW een duidelijke zin mist, leidt uitleg van het testament op grond van artikel 4:46 lid 2 BW evenmin tot de door de Stichting gestelde uitkomst dat zij als erfgenaam moet worden aangemerkt.

Uit het door de executeurs overgelegde overzicht blijkt dat erflater nooit giften heeft gedaan aan de Stichting of aan Stichting Fonds voor het Hart.

Andere verklaringen of gedragingen van erflater, waaruit een betrokkenheid van erflater bij de Stichting kan worden afgeleid, zijn gesteld noch gebleken.

Zo stelt de Stichting wel dat erflater waarschijnlijk haar nieuwsbrieven heeft ontvangen, maar zij heeft nagelaten een adreslijst (van donateurs) over te leggen waaruit dat blijkt.

Het hof gaat daarom aan deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Als er desondanks met de Stichting vanuit wordt gegaan dat niet gezegd kan worden dat het testament duidelijke zin heeft als bedoeld in lid 2 van artikel 4:46 BW, dan komt artikel 4:46 lid 3 BW in beeld.

Daarin staat:

“Wanneer een erflater zich klaarblijkelijk in de aanduiding van een persoon of een goed heeft vergist, wordt de beschikking naar de bedoeling van erflater ten uitvoer gebracht, indien deze bedoeling ondubbelzinnig met behulp van de uiterste wil of met andere gegevens kan worden vastgesteld.”

De Stichting stelt zich op het standpunt dat erflater zich klaarblijkelijk heeft vergist in de aanduiding van een persoon en dat hij heeft bedoeld de Stichting Wetenschappelijk Bureau Integratie Geneeskunde, thans de Stichting, tot zijn erfgenaam aan te wijzen.

De executeurs hebben dat gemotiveerd betwist.

Ervan uitgaande dat erflater zich inderdaad heeft vergist, dan dient de beschikking te worden uitgevoerd conform de bedoeling van erflater.

Daarvoor is vereist dat de ware bedoeling van de testateur ondubbelzinnig blijkt en die werkelijke bedoeling dient met behulp van andere gegevens te worden vastgesteld.

De Stichting beroept zich in dat verband op het door haar uitvoerig geschetste historisch overzicht.

Het hof verwijst naar de weergegeven samenvatting daarvan.

De Stichting stelt dat zij in 2010 – via UHC – de doelstellingen van Stichting Fonds voor het Hart één op één heeft overgenomen en dat tevens de activiteiten van Stichting Fonds voor het Hart door de Stichting zijn voortgezet.

Aldus is de Stichting feitelijk de opvolger van Stichting Fonds voor het Hart.

De Stichting heeft dit in de memorie van grieven en bij gelegenheid van de mondelinge behandeling nader toegelicht.

Zij concludeert op grond daarvan dat erflater ondubbelzinnig heeft bedoeld de Stichting als erfgenaam aan te wijzen.

Anders dan de Stichting, acht het hof het enkele feit dat de doelstellingen en activiteiten van de Amsterdamse en Haagse stichting goeddeels overeenkomen, onvoldoende om te concluderen dat erflater als hij had geweten dat de Stichting Fonds voor het Hart op het moment van het passeren van het testament niet meer bestond, de Stichting Wetenschappelijk Bureau Integratie Geneeskundige tot erfgenaam zou hebben benoemd.

Dat de doelstellingen en activiteiten volgens de Stichting goeddeels overeenkomen betekent namelijk nog niet, althans niet zonder meer, dat het ook de ondubbelzinnige bedoeling van erflater was om de Stichting tot erfgenaam te benoemen.

Andere gegevens op grond waarvan de ondubbelzinnige bedoeling van erflater kan worden afgeleid zijn gesteld noch gebleken.

Het hof acht ook in dit verband van belang dat gegevens waaruit enige betrokkenheid van erflater bij de Stichting kan worden afgeleid niet aanwezig zijn.

Het hof is dan ook van oordeel dat de Stichting haar stellingen inzake de ondubbelzinnige bedoeling van erflater onvoldoende concreet heeft onderbouwd.

Om die reden is bewijslevering niet aan de orde.

Bij de mondelinge behandeling heeft de Stichting nog verwezen naar een arrest van dit hof van 27 juli 2021 (GHSHE:2021:2362).

In dat geval had de erflater in zijn testament “de Stichting (…) of diens rechtsopvolger” tot enig erfgenaam benoemd.

Deze stichting bestond ten tijde van zijn overlijden niet meer, maar het vermogen en de activiteiten van deze stichting waren overgedragen aan een andere stichting, waarbij voorts was overeengekomen dat de verkrijgende stichting de verkregen gelden geheel volgens het doel van de overdragende stichting zou besteden.

Het hof heeft in dit arrest geoordeeld dat gelet op het feit dat uit het testament bleek dat erflater zijn vermogen aan een goed doel wilde nalaten en niet aan zijn neven en nichten, moet worden afgeleid dat erflater, die niet juridisch geschoold was, met “diens rechtsopvolger” ook de feitelijke rechtsopvolger heeft bedoeld.

Het hof is van oordeel dat deze zaken niet vergelijkbaar zijn.

Anders dan in bovengenoemde zaak heeft erflater in zijn testament niet de Stichting Fonds voor het Hart of “diens rechtsopvolger” tot erfgenaam benoemd.

De erflater heeft voor de situatie dat een van de door hem benoemde erfgenamen op het moment van zijn overlijden niet zou bestaan een andere regeling getroffen, te weten de hiervoor besproken aanwasregeling.

Ook daarom kan niet gezegd kan worden dat het de ondubbelzinnige bedoeling van erflater was om de Stichting tot zijn erfgenaam te benoemen.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de door Stichting op grond van artikel 4:46 BW bepleite uitleg van het testament niet kan worden gevolgd.

Artikel 4:47 BW

De Stichting heeft daarnaast nog een beroep gedaan op artikel 4:47 BW.

Zij stelt dat als erflater in dit geval op de hoogte was geweest van het feit dat de Stichting het gedachtegoed, de doelstellingen en de activiteiten van Stichting Fonds voor het Hart zou hebben voortgezet en overgenomen, hij de aanduiding van de Stichting in zijn testament anders had omschreven.

Hij had op dat moment niet de wetenschap dat het één en ander in de benaming was gewijzigd en derhalve heeft erflater het zo gelaten.

Erflater zou aldus de Stichting de aanduiding in het testament anders hebben geformuleerd als hij op de hoogte zou zijn geweest van deze blijvende onmogelijkheid van de uitvoering van zijn testament.

De executeurs hebben aangevoerd dat artikel 4:47 BW niet van toepassing is.

De situatie dat uitvoering van de beschikking van erflater blijvend onuitvoerbaar is in de zin van deze bepaling doet zich in dit geval niet voor nu uitleg van het testament aan de hand van artikel 4:46 lid 1 BW leidt tot een uitvoerbare beschikking.

Ook het hof is van oordeel dat artikel 4:47 BW in dit geval niet toepassing is.

Dit artikel is immers eerst van toepassing als de uitvoering van een uiterste wilsbeschikking onmogelijk is.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat daarvan in dit geval geen sprake is.

Dit betekent dat niet kan worden geconcludeerd dat de Stichting op grond van dit artikel behoort tot de kring van erfgenamen van erflater.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.