De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een uitkering uit een levensverzekering als een quasi-legaat moest worden beschouwd.
Erflater heeft in het jaar 1993 en in het jaar 2004 een levensverzekering afgesloten bij O (hierna verder te noemen: de verzekeraar).
Hierin is opgenomen dat als erflater vóór 15 april respectievelijk 1 juli 2023 overlijdt, de verzekeraar een bedrag aan de begunstigde(n) van de verzekeringen uitkeert.
Nu erflater op het moment van overlijden ongehuwd was en geen kinderen heeft achtergelaten, zijn de erfgenamen voor gelijke delen de begunstigden van de verzekeringen.
Erfrecht. Verdeling van nalatenschap. Is de levensverzekering een quasi-legaat? Vermindering legaat redelijk? Begunstiging. Uitkering voor levensonderhoud en/of studie.
De rechter oordeelt als volgt.
De erfgenamen hebben een uitkering uit twee door erflater tijdens leven afgesloten levensverzekeringen ontvangen.
Terecht merkt verzoeker op dat die uitkering niet valt in de nalatenschap van erflater.
Dat betekent echter niet dat begunstigden nooit gehouden kunnen zijn tot vergoeding van de waarde van (een deel van) de uitkering van de verzekeraar als dat noodzakelijk is voor het voldoen van de schulden van de nalatenschap.
In bepaalde gevallen kan die verplichting wel bestaan. De kantonrechter zal hierna bespreken of de begunstigden van de door erflater afgesloten levensverzekeringen (de erfgenamen) in dit geval de waarde van (een deel van) de uitkering aan de boedel moeten vergoeden.
Op grond van artikel 4:126 lid 1 BW worden schenkingen of andere giften, die de strekking hebben dat zij pas na het overlijden worden uitgevoerd, voor vermindering en inkorting in beginsel gelijk gesteld met legaten.
Op grond van artikel 4:126 lid 2 sub b BW is dit artikel ook van toepassing op een begunstiging bij sommenverzekering.
Vast staat dat de levensverzekeringen een sommenverzekering zijn.
Daarom moet worden beoordeeld of de begunstiging van de erfgenamen is aan te merken als gift (artikel 4:126 lid 2 sub b BW).
Het uitgangspunt is dat de aanwijzing van een begunstigde bij een sommenverzekering als gift wordt aangemerkt, tenzij zij geschiedt ter nakoming van een verbintenis anders dan uit schenking (artikel 7:188 lid 1 BW). Het ligt op de weg van de begunstigde(n) om te stellen dat sprake is van een (natuurlijke) verbintenis.
Of de aangewezen begunstiging moet worden aangemerkt als voldoening aan een natuurlijke verbintenis is ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen.
Daarbij is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie bepalend; het is niet van belang hoe partijen er later financieel blijken voor te staan (Hoge Raad 1 oktober 2004, HR:2004:AO9558).
Of van een natuurlijke verbintenis sprake is geweest zal naar objectieve maatstaven moeten worden vastgesteld (Gerechtshof Amsterdam 27 september 2011, GHAMS:2011:BT8650).
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft verzoeker niet aangetoond dat erflater de verzekering enkel heeft afgesloten om de erfgenamen na zijn overlijden meer financiële armslag te geven en verzorgd achter te laten (ter nakoming van een natuurlijke verbintenis) en dat geen sprake is van een gift.
De erfgenamen waren niet de eerste begunstigden van de levensverzekeringen.
Dat was erflater zelf, daarna zijn eventuele echtgenote en kinderen en daarna pas zijn erfgenamen.
Erflater heeft ook pas in juni 2020 voor het eerst een testament opgesteld en daarbij de erfgenamen tot enige erfgenamen benoemd.
Dat is pas vele jaren na het afsluiten van de levensverzekeringen.
Bovendien heeft erflater bij leven de erfgenamen nooit financiële steun gegeven, terwijl hij daar volgens verzoeker wel voldoende financiële mogelijkheden voor zou hebben gehad.
Gelet hierop zijn er onvoldoende aanwijzingen om te oordelen dat de levensverzekeringen niet alleen uit vrijgevigheid richting de erfgenamen zijn afgesloten.
Dit betekent dat het ervoor wordt gehouden dat de levensverzekeringen een gift zijn.
Omdat de levensverzekeringen als een gift moeten worden aangemerkt vallen deze onder artikel 4:126 lid 2 BW en moeten zij dus op dezelfde manier behandeld worden als een legaat.
De begunstiging in de levensverzekeringen wordt in die situatie aangeduid als een quasi-legaat.
Het gevolg hiervan is dat de uitkeringen uit de levensverzekeringen wat betreft de regels van vermindering en inkorting gelijk worden gesteld met een legaat.
De levensverzekeringen van de erfgenamen komen daarom voor vermindering in aanmerking.
De boedel heeft dan ook recht op (een deel van) de waarde van de uitkering van de verzekeraar om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen.
Een vereffenaar van de nalatenschap moet het quasi-legaat dus verminderen om de schulden van de nalatenschap te kunnen voldoen.
Die verplichting rust in dit geval op (verzoeker als gevolmachtigde van) de erfgenaam-vereffenaars.
De erfgenamen zijn als begunstigden van de levensverzekeringen op grond van de wet verplicht om mee te werken aan de vermindering van de levensverzekeringen, tenzij dit, alle omstandigheden in aanmerking genomen, onredelijk is (artikel 4:127 BW).
Voor de vraag of is voldaan aan het onredelijkheidscriterium is doorslaggevend of de begunstiging een verzorgingskarakter heeft.
Van een verzorgingskarakter is niet alleen sprake als erflater met de begunstiging uitdrukkelijk de verzorging van de begunstigden heeft beoogd, maar ook als deze begunstiging in de gegeven omstandigheden noodzakelijk blijkt voor de betaling van de kosten van studie en levensonderhoud van de begunstigden (vgl. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 juli 2008, GHARL:2018:6788).
De kantonrechter kan op dit moment nog niet beoordelen of vermindering van de levensverzekeringen onredelijk is.
Daarvoor heeft zij behoefte aan aanvullende informatie en bewijsstukken. Verzoeker zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om uiterlijk op 1 oktober 2023 die informatie en bewijsstukken in te dienen.
Het gaat in het bijzonder om de volgende informatie en bewijsstukken:
- -bewijsstukken waaruit de daadwerkelijk aan de erfgenamen uitgekeerde bedragen uit de levensverzekeringen blijken;
- -bewijsstukken waaruit blijkt of de Belastingdienst revisierente bij de erfgenamen in rekening heeft gebracht, en als dat het geval is voor welk bedrag;
- -bewijstukken waaruit blijkt dat de aan de erfgenamen verstrekte bijstandsuitkering als gevolg van de ontvangen uitkeringen uit de levensverzekeringen is stopgezet en niet (meer) met terugwerkende kracht kan worden hersteld;
- -een toelichting op eventuele andere inkomsten van de erfgenamen na de uitkering uit de levensverzekeringen;
- -informatie over eventuele andere nadelige financiële gevolgen voor de erfgenamen als gevolg van het ontvangen van de uitkeringen uit de levensverzekeringen (denk bijvoorbeeld aan toeslagen);
- -een overzicht van de uitgaven die de erfgenamen hebben gedaan van de uitkeringen uit de levensverzekering.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.