Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 april 2022 uitspraak gedaan over de totstandkoming van een taxatierapport.

Appellant stelt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het taxatierapport van B met betrekking tot de kunstcollectie als waarheid kan worden aangenomen en dat dus die waardebepaling juist is.

Hij voert hiertoe aan dat met dit rapport fundamentele procesbeginselen zijn geschonden.

Zo is de communicatie eenzijdig met geïntimeerde verlopen en is er geen conceptrapport verstrekt waardoor hij geen vragen kon stellen of opmerkingen kon maken.

Het verstrekken van een conceptrapport is een wezenlijk onderdeel van een deskundigenbericht.

De advocaat van appellant is enkel bij de taxatie aanwezig geweest, maar welke werken er zijn onttrekt zich aan het gezichtsveld van appellant en zijn advocaat.

Zij weten ook niet welke aantekeningen de deskundige heeft gemaakt.

Daar komt bij dat de deskundige niet de waarde in het economisch verkeer heeft bepaald maar de executiewaarde.

Geïntimeerde verwijst naar wat partijen over de taxatie hebben afgesproken en stelt onder meer dat partijen niet hebben afgesproken dat zij een conceptrapport zouden krijgen waarop gereageerd zou kunnen worden.

Erfrecht. Waardering. Deskundigenbericht. Aanname van waarde. Totstandkoming van een taxatierapport. Bewijs. Procesbeginselen. Hoor en wederhoor. Fair trail en equality of arms. Opdracht. Marktwaarde. Waarde in het economische verkeer.

De rechter overweegt als volgt.

Appellant stelt dat in de totstandkomingsfase van het opstellen van het taxatierapport fundamentele procesbeginselen zijn geschonden, zoals het beginsel van hoor en wederhoor, fair trail en equality of arms.

Het gevolg hiervan is volgens appellant dat de rechtbank het rapport niet als waarheid had mogen aannemen en ten onrechte heeft geoordeeld dat (dus) de waardebepaling juist is.

Het hof stelt vast dat appellant geen beroep heeft gedaan op vernietiging van het taxatierapport (bijvoorbeeld op grond van art. 7:904 lid 1 BW).

Het hof begrijpt de stelling van appellant zo dat het taxatierapport volgens hem zodanig gebrekkig tot stand is gekomen dat geïntimeerde hem daar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aan kan houden.

Op grond van artikel 150 Rv is het aan appellant om het voorgaande te stellen en zo nodig te bewijzen.

Verder staat vast dat alleen geïntimeerde de opdracht voor de taxatie aan B heeft gegeven alsook dat zij de kosten daarvan voor haar rekening zou nemen.

B heeft in zijn taxatierapport ook geschreven dat geïntimeerde de opdrachtgever was en dat hij de taxatie uitsluitend voor haar heeft gedaan.

Anders dan appellant lijkt te suggereren , is geen sprake van een deskundigenbericht als bedoeld in art. 194 Rv.

Uit de vaststellingsovereenkomst volgt dat partijen niet hebben afgesproken dat B eerst tot een taxatierapport zou komen waarop nog commentaar kon worden gegeven voordat hij tot een definitieve waardebepaling zou komen.

Omdat partijen hebben afgesproken dat enkel geïntimeerde opdrachtgever is, kon en mocht appellant in de gegeven omstandigheden dan ook niet verlangen dat B hem eerst een concept taxatierapport zou toesturen, voordat B een waarde van in totaal € 36.720,00 aan de werken zou toekennen.

Verder stelt appellant dat deze door B vastgestelde waarde niet de waarde in het economisch verkeer is, maar de executiewaarde.

Partijen hebben afgesproken om als waarde voor de kunstwerken de waarde in het economisch verkeer als uitgangspunt te nemen.

Uit het taxatierapport blijkt dat B de kunstwerken heeft gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer als bedoeld in artikel 21 van de Successiewet.

Het begrip waarde in het economische verkeer in de Successiewet is niet gedefinieerd, maar dit begrip kan op basis van vaste jurisprudentie worden omschreven als de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor het goed meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meestbiedende gegadigde zou zijn besteed.

B schrijft in het rapport immers ‘aan de Voorwerpen een waarde – op datum overlijden 2015 – in het economisch verkeer als bedoeld in art 21 van de Successiewet toe te kennen’.

Dat deze waarde in het onderhavige geval anders zou zijn dan B heeft vastgesteld, heeft appellant niet, althans onvoldoende onderbouwd.

De enkele stelling dat de werken honderden en zelfs vele duizenden euro’s waard zijn, thans een waardering wordt gegeven op tientjes-niveau en dat op rommelmarkten hogere prijzen worden gerealiseerd voor onbekende kunstenaars, leidt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot een ander oordeel.

Het hof gaat dan ook aan deze stelling voorbij.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat appellant onvoldoende onderbouwd heeft gesteld dat – nu de taxatiewaarde hem is tegengevallen – de inhoud of wijze van totstandkoming van het taxatierapport zodanig indruist tegen de redelijkheid en billijkheid dat het onaanvaardbaar zou zijn om daaraan gehouden te worden.

Dit heeft tot gevolg dat het hof voor wat betreft de waarde van de kunstwerken uitgaat van het getaxeerde bedrag van € 36.720,-.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.