Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 21 juli 2020 uitspraak gedaan over de afwikkeling van nalatenschap die beneficiair is aanvaard.

Geïntimeerde enerzijds en appellant anderzijds zijn het oneens over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.

De onderhavige procedure heeft betrekking op de geschillen over de afwikkeling van de nalatenschap van erflater.

Afwikkeling van nalatenschap die beneficiair is aanvaard. Vereffening. Uitleg testament betreffende een legaat.

De rechter oordeelt als volgt

Appellant en geïntimeerde hebben hun aandeel in de nalatenschap van erflater beneficiair aanvaard.

Voor appellant geldt dat hij ingevolge artikel 4:192 lid 4 BW geacht wordt zijn aandeel eveneens beneficiair te hebben aanvaard, nu niet gesteld of gebleken is dat hij zijn aandeel zuiver heeft aanvaard of heeft verworpen binnen de in artikel 4:192 lid 4 BW genoemde termijn.

Consequentie van de beneficiaire aanvaarding is dat de nalatenschap, ingevolge artikel 4:202 lid 1, aanhef en onder a, BW moet worden vereffend volgens de voorschriften van afdeling 4.6.3 BW, tenzij er een tot voldoening van de opeisbare schulden en legaten bevoegde executeur is en deze kan aantonen dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots toereikend zijn om alle schulden van de nalatenschap te voldoen.

Uit een beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, tussen appellant als verzoeker en geïntimeerde als verweerder volgt dat een verklaring is afgelegd dat de goederen van de nalatenschap ruimschoots voldoende zijn om alle schulden te voldoen, zodat aan de “tenzij-bepaling” in artikel 4:202 lid 1 aanhef en onder a BW is voldaan.

De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat er desondanks wél vereffening dient plaats te vinden en de kantonrechter heeft om die reden een vereffenaar benoemd.

De kantonrechter heeft hiertoe beslist vanwege de slechte verstandhouding tussen appellant en geïntimeerde en het wantrouwen van geïntimeerde tegenover appellant.

Het hof stelt vast dat de vereffening nog niet is voltooid.

Geïntimeerde heeft een beroep gedaan op de mogelijkheid zoals beschreven in het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (HR:2017:939), die inhoudt dat, ook in het geval de vereffening nog niet is voltooid, door de rechter in overleg met partijen onderzocht dient te worden of er mogelijkheden zijn om desondanks op de grondslag van de vordering en het verweer te beslissen op een wijze die ook voldoende rekening houdt met de belangen van schuldeisers van de nalatenschap.

Naar het oordeel van het hof gaat geïntimeerde er bij zijn beroep op deze mogelijkheid aan voorbij dat het onderhavige geschil over de ontvankelijkheid ook betrekking heeft op de omvang en de waarde van (een aantal) legaten en op het bestaan en de omvang van een aantal andere vorderingen op de nalatenschap.

Dit zijn geschillen waaromtrent moet worden beslist in het kader van de vereffening van de nalatenschap.

Immers: ingevolge artikel 4:218 lid 1 BW dient de vereffenaar rekening en verantwoording en een uitdelingslijst op te maken en ter kennisneming van eenieder ter inzage te leggen (in dit geval:) ter griffie van de rechtbank.

Tegen de uitdelingslijst of de rekening en verantwoording kan iedere belanghebbende in verzet komen bij (in dit geval:) de kantonrechter.

Partijen zijn het oneens over de uitleg van het testament van erflater, in het bijzonder over de vraag of ook het perceel grond moet worden gerekend tot “het pand/de panden welke aan bedoelde vennootschappen ter beschikking is/zijn gesteld als bedoeld in artikel 3.91 Wet IB 2001”.

Ingevolge artikel 4:46 lid 1 BW dient bij de uitleg van het testament gelet te worden op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen.

Die wens moet blijken uit het testament zelf.

Verder moet worden gelet op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

De overgelegde verklaringen zeggen hier niets over; in die zin missen de overgelegde verklaringen relevantie.

Het hof acht voor de beoordeling van het onderhavige geschilpunt allereerst van belang dat uit het testament volgt dat dat erflater bij het doen opmaken ervan voor ogen had dat alle hem toebehorende aandelen in het kapitaal van voornoemde vennootschappen en de panden die aan deze vennootschappen ter beschikking waren gesteld, gelegateerd werden aan appellant, aangezien hij appellant het meest geschikt achtte om de ondernemingen van deze vennootschappen voort te zetten en in stand te houden.

Van belang is verder dat het perceel grond aangesloten ligt aan het perceel waarop een bedrijfspand staat en daarmee één geheel vormt.

Vast staat dat het perceel door het bedrijf werd gebruikt voor de opslag van groenafval en zand; de stelling van appellant op dit punt acht het hof niet of in ieder geval onvoldoende door geïntimeerde weersproken.

Het hof acht tenslotte ook nog van belang dat door appellant onweersproken is gesteld dat het testament, in verband met de slechte gezondheidstoestand van erflater, in allerijl is opgemaakt en dat om die reden is volstaan met de vermelding van adressen, zonder vermelding van de kadastrale gegevens.

Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat het testament van erflater zo moet worden uitgelegd dat perceel onder het aan appellant toegekende legaat valt.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat verdeling erfenis over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme, of over zuivere of beneficiaire aanvaarding, belt u dan gerust onze advocaat verdeling erfenis op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de verdeling van een erfenis, bezoek dan onze website over de verdeling van een erfenis. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website van ons advocatenkantoor. Klik dan hier.